Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
393
hen er aan te gewennen de waarheid te spreken. Zindelijkheid leeren zij
ook niet.
Gastvrij is de Indiaan jegens zijne rasgenooten en ook jegens den Blanke.
Ieder Bleekgezicht, dat vermoeid bij zijn wigwam (hut) aankomt, neemt
hij vriendelijk op; hij verzorgt hem, zoo goed als hem mogelijk is, en be-
schermt zijn eigendom.
Als de Indiaan niet op het krijgspad is, als hij geen' rooftocht tegen de
Blanken, hun leven, hunne have, vooral hun vee, onderneemt, dan houdt
hij zich met de jacht en de vischvangst bezig, of hij brengt zijn' tijd door
met luieren, hoogstens afgewisseld door spel of dans, waarvan hij harts-
tochtelijk houdt. Hoepel- en balspelen vallen zeer in den smaak, verder
eene soort van even- of- oneven- spel, dat met steentjes wordt gespeeld.
Het dansen is een zijner meest geliefkoosde uitspanningen; hij kent er dan
ook verscheiden soorten van, als de beren-, de buffel-, de honden-, de
adelaars-, de krijgs- en de skalpdans. Slechts zelden nemen de vrouwen
aan deze vermaken deel. Zij verrichten het werk in huis en ook op het
veld, voor zoover dat bepaald noodig is. De Indiaan acht als vrij man
den arbeid beneden zijne waardigheid. De vrouwen moeten dag en nacht
werken, om het hunnen mannen — hunnen heeren en meesters in den
vollen zin des woords, — naar den zin te maken; zij worden menigmaal
als weinig meer dan last- en werkdieren beschouwd. Zij moeten de kin-
deren verzorgen, hout naar den wigwam sleepen, huiden looien, voor den
maaltijd zorgen, bij het trekken van de eene plaats naar de andere de
tenten uit elkander nemen en weer opslaan, de lastdieren beladen, — in
't kort: ze doen alles, 't Is dus ook niet te verwonderen, dat de Idiaan-
sche vrouwen, die daarbij nog zeer jong trouwen, vaak reeds op dertien-
of veertienjarigen leeftijd, zeer spoedig oud worden.
Van een' arbeid, die den Blanke in het Verre Westen met een recht-
matigen trots vervult, ontginnen van den grond, zaaien, oogsten, het
bouwen van een goed ingericht huis, — van al die werkzaamheden heeft
de Indiaan een grooten afkeer; zijne bezigheden bestaan in jagen, visschen,
bedelen en rooven. De bitterste nood doet hem niet naar de spade grijpen;
hij wordt liever dief of roover. Bij sommige stammen is de verachting van
den arbeid zoo diep geworteld, dat b.v. de vrouwen der Sioux een' man,
die werkelijk wil arbeiden, voor eene squaw, een wijf, uitschelden.
Eene Indiaansche sage vertelt, waarvan het komt, dat de Roodhuiden
bij voorkeur jagen.
Toen de Groote Geest, zoo luidt die sage, de stroomen, de lucht en
het woud geschapen en ze met allerlei dieren vervuld had, liet hij den
rooden man en zijn jongeren broeder, den blanke, bij zich in zijne wo-
ning komen en toonde hun de menigte buffels, beren, otters, bevers en
alle dieren; die hij verder geschapen had. Ziet, zeide hij, deze mijne
schepselen geef ik u; gij zult daarover heerschen en zij zullen u tot voed-
sel dienen. Daarop begon hij ze te verdeelen. De roode man, van wien
hij het meest hield, omdat hij een flinke, krachtige kerel was, dié geen