Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVI. AMERIKA.
DE NOORDAMERIKAANSCHE INDIANEN.
De Noordamerikaansche Indiaan vertoont een dubbel karakter. Is hij
door Blanken, of zooals hij ze noemt, Bleekgezichten, omringd, of meent
hij door hen bespied te worden, dan is hij knorrig en stil, dan ligt diepe
ernst, ja somberheid op zijn gelaat, dan kan zelfs het onverwachtste hem
niet uit zijne rust brengen of hem een' lach of een teeken van bewonde-
ring of van verbazing afpersen. Verrast hem het een of ander in hooge
mate, dan houdt hij de hand op den mond; ontsnapt hem eene uitdruk-
king van verwondering, dan laat hij een dof „oef!" hooren. Geheel anders
is hij echter in den kring der zijnen. Daar stelt hij belang in alles, daar
is hij mededeelzaam en vroolijk, daar wordt hij niet moede, zijnen vrien-
den van zijne ooriogs- en jachtavonturen te vertellen of naar hunne ver-
halen opmerkzaam te luisteren, daar is het opperhoofd van andere stam-
genooten nauwelijks te onderscheiden.
Karakteristiek is het verder voor den Indiaan, dat hij buitengewoon
begeerig naar geschenken is, vooral naar geld. Men mag hem geven zoo-
veel men wil, hij is nooit tevreden. Hij neemt alles aan, ook wat vol-
strekt geene waarde voor hem heeft, en gebruikt het op eene manier, die
ons vaak belachelijk schijnt.
De schildering, die Cooper, Sealsfield, Aimard en anderen van den
Indiaan geven, is op den Roodhuid van den tegenwoordigen tijd volstrekt
niet meer van toepassing. Zijne eigene slechte eigenschappen, de hebzucht
der Blanken en hun „vuurwater" (brandewijn) hebben hem verliederlijkt.
Hij is in erge mate onzindelijk en doorgaans in lompen gekleed. Zijn ge-
laat heeft dikwijls eene dierlijke uitdrukking. Het romantische waas, dat
over het leven van den Indiaan lag uitgespreid, is verdwenen en waar-
schijnlijk was het nooit in werkelijkheid zóó aanwezig als sommige schrij-
vers ons willen doen gelooven. De Indiaan is roofgierig, en in het stelen
heeft hij het tot eene groote hoogte gebracht. Aan zijne 'woorden kan men
geen geloof schenken. "Eenstemmig klagen de zendelingen, die onder hen
verkeeren, dat, hoewel ook de aan hunne zorgen toevertrouwde kinderen
eene tamelijk goede gave van opmerken bezitten, het toch onmogelijk is