Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
388
zeggen, geeft het recht hen als menschen te beschouwen, die voor ont-
wikkeling vatbaar zijn.
Of de kleine Saan met de Obongo's (vuilgele, kleine menschen, die Du
Chaillu in het aequatoriale West-Afrika in de wouden aantrof), de dwerg-
achtige Akka's (die Schweinfurt ten westen van de groote Afrikaansche
meren vond) en de Doko's (een klein volk ten oosten van de groote
meren, waaromtrent Krapf uit eene niet al te geloofwaardige bron berich-
ten inwon), — of al die kleine stammen misschien de uitstervende over-
blijfselen zijn van eene vroeger veel grootere oorspronkelijke bevolking,
moeten latere onderzoekingen uitmaken.
Wenden wij ons nu tot de Hottentotten, welke naam misschien afkom-
stig is van een woord, dat als maatgezang bij de volksdansen in gebruik
is. Ze noemen zich zeiven Khoikhoin (d. i. menschen der menschen
of oermenschen, eerste menschen) of ook K h o i n (d. i. menschen), welke
vormingen het meervoud zijn van Khoikhoip en Khoip.
Peschel en Friedr. Müller brengen de Hottentotten en de Bosjesmannen
tot één ras; Merensky houdt ze voor verschillende rassen. Terwijl Peschel
op de overeenkomst opmerkzaam maakt, die er in sommige punten be-
staat tusschen de Hottentotten en de Papoea's der Fidsji-eilanden, houdt
Merensky het er voor, dat taal, kleur en lichaamsvorm der Hottentotten
op een' oorsprong van Noord-Afrika wijzen. Men ziet het: er blijft in
Zuid-Afrika ook op ethnographisch gebied nog zeer veel te onderzoeken.
Naar alle waarschijnlijkheid bewoonden de Hottentotten in vroegeren
tijd een veel grooter gebied dan tegenwoordig. In de 17e eeuw vertelden
zij aan de Kaap aan de blanken, die daar aankwamen, dat zij in 't bin-
nenland eene streek kenden, waar men goud vond in het zand, waar
groote steenen huizen waren en rijst werd gezaaid. Dat zal de streek ten
westen van Sofala zijn geweest, waar nog tegenwoordig goud wordt gevon-
den en rijst verbouwd, en de steenen huizen waren óf de rutoen van Zim-
babye, of zendelingsposten, die daar in de i6e eeuw zijn opgericht. Tot daar,
dus tot + 20° Z.B., was den Hottentotten toen de oostkust alzoo bekend.
Ze schijnen in de laatste twee eeuwen door invloed van blanken, met
wie zij Zuid-Afrika moesten deelen, in voorkomen en gebruiken vrijwat
te zijn veranderd. Ook hunne kleur schijnt lichter te zijn geworden, wat
zich uit de veranderde levenswijze van het volk laat verklaren.
De Hottentotten zijn 5 a 6 voet groot: dus langer dan de Bosjesmannen
en goed gebouwd. Zij onderscheiden zich van de Saan vooral door veel
kleinere en sierlijker voeten, door meer vooruitstekende kinnebakken en
minder omgekrulde lippen.
Over het karakter van den Hottentot zegt Merensky het volgende. Hij
is bewegelijk, sanguinisch en heeft alle verkeerde eigenschappen, die daar
meestal mede gepaard gaan. Hij wordt licht eigenzinnig, boos en wTaak-
gierig. Hij is verkwistend en lui, zwerft graag met zijne kudden rond en
geeft zich aan het nfisbniik van dacha- (hennep) rooken en sterke dranken
over. Hij doet niet meer dan wat noodig is, om in het noodzakelijkste