Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
386
Het eerste het beste gat, door den miereneter gegraven, is den vhichte-
ling voldoende om in den grond te verdwijnen. Wordt de Bosjesman ge-
vangen , dan dwingt men hem de legerplaats van zijne horde aan te wijzen.
Er moeten gevallen zijn voorgekomen, waarin zulk een arme gevangene
zich liever liet doodslaan dan de zijnen te verraden. Vindt de Boer het
volk, dan slacht hij soms een' os, en de bevreesde lieden geven voor het
vleesch eenige kinderen.
Door zulke vervolging zijn de Saan zeer in aantal afgenomen; in de
vorige eeuw waren de vernielingstochten, die tegen hen werden onderno-
men, echter veelvuldiger dan tegenwoordig. Nog altijd leven er tot den
i8den graad Z.B. horden van dit merkwaardige volk in den natuurstaat. Die
Bosjesmannen, welke men tot het bewonen van vaste woonplaatsen gedwon-
gen heeft, hebben zich met Hottentotten en andere volksstammen vermengd.
De Saan behooren tot de kleinste menschen; de man is ongeveer 4^/2
voet, de vrouw cirka 4 voet hoog; waar men eene grootere lichaamslengte
vond, komt dat waarschijnlijk van eene vermenging met Hottentotten of
Kaffers. De kinnebakken steken wat vooruit en de jukbeenderen zijn sterk
ontwikkeld als bij de Mongolen. De lippen zijn dik, maar niet zoo omge-
kruld als bij de Zuidafrikaansche Negers het geval is. De neusbeenderen
komen in de streek van den neuswortel niet of weinig te voorschijn, zoo-
dat de neus eerst op eenigen afstand boven den mond zich vertoont.
Het haar is in bundeltjes over het hoofd verspreid. De oogen zijn smal.
Bij sommige vrouwen steekt het zitorgaan tengevolge van krachtige vet-
vorming sterk achteruit. De huid heeft eene gele of bruinachtige kleur als
leder en wordt spoedig rimpelig.
Bovenstaande lichaamskenmerken hebben de Hottentotten in hoofdzaak
.met de Saan gemeen, echter zijn ze grooter.
Van de taal der Saan kent men nog weinig, en wat men dus van hunne
ontwikkeling en afstamming weet, zijn grootendeels vermoedens; het eigen-
aardige geestesleven van een volk toch leert men het best kennen, als men
inet hen spreekt en naar hunne verhalen luistert, die menigmaal licht kun-
nen verspreiden over de afstamming.
In het Sneeuwgebergte, in het Drakengebergte, overal vindt men rots-
wanden, die door Bosjesmannen met teekeningen zijn voorzien. Merensky
onderzocht sommige daarvan. Ze waren uitgevoerd met eene bruine verf-
stof en stelden mannen, vrouwen en dieren voor. Vooral waren eenige
olifanten en buffels zeer karakteristiek geteekend. Op denzelfden rotswand
(in het Bapedi-land) waren rijen van ringen, kruisen en streepen in blauwe
verf geteekend, die Merensky aan eene soort van beeldschrift deden den-
ken. 't Is merkwaardig, dat dit ruwe volk eene kleurstof kan vervaardigen,
die vele jaren aan den invloed van het weer tegenstand kan bieden. De
teekeningen, waarvan boven sprake was, zijn stellig eenige eeuwen oud;
want sedert eenige eeuwen wonen daar Basoeto's, die, ofschoon ze anders
in ontwikkeling verre boven de Bosjesmannen staan, verzekerden, geene
kans te zien eene zoo duurzame verf te maken.