Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
367
kokospalm gevind en blijven bij aan zich zeiven overgelaten exemplaren
nog zeer lang aan den stam hangen, als ze gestorven zijn. De boomen
in West-Afrika, die onder toezicht der menschen staan, worden van de
verdroogde bladeren, die bij het beklimmen van den boom zouden hin-
deren , ontdaan. In het land der Monboetoes snijdt men de bladstelen op
3 dm. afstands van den stam af. Schweinfurt merkt op, dat deze gewoonte
niet zonder invloed blijft op het karakter van 't landschap en op de flora
des lands. Daardoor toch bieden de stammen eene menigte aangrijpings-
en steunpunten voor slingèrplanten, terwijl in den oksel der bladeren aller-
lei zaden neervallen, die daar ontkiemen en groeien tot zoolang de stelen,
verrot zijnde, den last niet meer kunnen dragen en met de planten naar
beneden vallen.
De manlijke en vrouwelijke bloemen komen bij den oliepalm gescheiden
op één en denzelfden boom voor, zooals bij de meeste palmen het geval
is. De manlijke bloemen hebben eenigszins den vorm van katjes; de vrou-
welijke vormen kogelvormige bundels. Een palm draagt jaarlijks 3 of 4,
zelden 5 vrouwelijke bloeiwijzen, waarvan ieder 20 a 30, zelden 40 a 50
kilogram weegt. De schutbladeren steken tusschen de vruchten uit in den
vorm van zeer stijve en scherpe dorens. De langwerpige vruchten staan
zoo dicht naast elkaar, dat ze tegen elkander aandrukken en daardoor
onregelmatig afplatten. Ze bestaan uit een oranjerood vleezig omhulsel en
daarbinnen een steenharde schaal, die eene aan de oppervlakte bruin,
maar van binnen witachtig gekleurde pit omsluit.
De meeste en beste olie van vermiljoenroode kleur en dikke, brijachtige
consistentie wordt uit het vruchtvleesch gewonnen, dat 71.6 olie levert;
maar ook de pit bevat 47.75 vet, dat nog vaster en meer boterachtig
is. De bereiding van olie uit het vleezige omhulsel geschiedt door de Ne-
gers op zeer ruwe wijze. Op de Goudkust laat men de vruchten liggen,
tot ze beginnen te rotten en stampt ze dan met dikke stokken in een
kleinen met platte steenen belegden kuil, terwijl er nu en dan warm water
wordt bijgegoten, totdat het omhulsel geheel van de harde kern is geschei-
den. Het deeg wordt vervolgens ferm met de handen gekneed en naar
den kant van den kuil geschoven, waarbij de olie grootendeels naar het
dieper gelegene midden van den kuil vloeit. Het deeg wordt dan met de han-
den uitgeperst en eindelijk uitgekookt. In andere streken worden de vruch-
ten met de voeten uitgetreden. Aan den Binoewe zag Rohlfs het vrucht-
vleesch in kuilen in warm water rotten, terwijl de bovenop drijvende olie
werd afgeschept. De Loango-Negers gaan zorgvuldiger te werk en Peschuël-
Loesche schat de jaarlijksche opbrengst van één' boom op i gallon,
d. i. 3.5 kilogram. De olie wordt door de inboorlingen in groote potten
verkocht. Slechts zelden, o. a. in de handels-etablissementen te Banana der
Rotterdamsche Afrikaansche handelsvereeniging, wordt de gewoonlijk on-
zuivere ruwe palmolie gezuiverd; op de oude schepen (hulken) der „olie-
rivieren" heeft men daarvoor meestal geene ruimte.
Algemeen gebruikt men de olie tot het bereiden van spijzen. Als ze