Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
360
gen met zekerheid den Chamsihn verwachten. Deze wind begint bij zons-
opgang en in den regel' bij helderen hemel; hij waait gedurende de eerste
uren niet bijzonder sterk en is niet verkoelend, maar lauwwarm.
"Van uur tot uur stijgt met de heftigheid ook de warmte eenige graden,
soms zelfs twee graden in het kwartier, zoodat des middags de warme
wind heet is geworden. Dan is het hoog tijd, vooral voor den Europeaan,
in huis te gaan en achter dichtgesloten vensters en jaloezieën het einde
der crisis af te wachten. Dit is nog des te meer noodig, omdat de wind
fijn woestijnzand meevoert, dat overal binnendringt en niet alleen alle
meubels bedekt, maar zelfs in gesloten kasten en laden dringt. De hemel
heeft nu eene loodkleur, die slechts op de plaats waar de zon zich bevindt,
eene iets lichtere plek vertoont; dikwijls breken enkele glanslooze straal-
bundels door, die eenige minuten heen en weer schieten en dan weer in
de grijze tint verdwijnen.
De hitte is ondertusschen buiten tot 37 ja 40° C. gestegen; hangt men
den thermometer op de windzijde, dan stijgt hij tot 46 ja 50° C.
Om alles zelf waar te nemen, liet de heer Adolf Ebeling zich op een heeten
Chamsihn-dag in een rijtuig eenige minuten buiten Kaïro rijden in zuid-
westelijke richting, dus tegen den wind in. Zoolang hij door de huizen
van Fagalla beschut was, vond hij de temperatuur slechts drukkend-zwoel;
zoodra hij echter bij een bocht in den weg in het opene veld kwam,
sloeg hem een droog-heete, verstikkende lucht te gemoet. De paarden
snoven en bogen zich instinctmatig ter aarde; kameelen, met klaver
beladen, die daar toevallig langs trokken, deden hetzelfde, en de op hen
zittende drijvers hadden hunne blauwe katoenen hemden dicht om het
hoofd gewikkeld. De woestijn, anders zoo helder en licht, vertoonde zich als
een onafzienbare donkergele oceaan, en op den achtergrond verhief zich het
Mokkatam-gebergte, dat anders zoo helder verlicht is, als een donkere wand.
Langer dan twaalf uren waait de Chamsihn nooit achtereen; want hij
houdt steeds met zonsondergang op en begint vaak eerst in den namid-
dag. De vóllemaan vertoont menigmaal na een Chamsihn-dag een buiten-
gewoon grooten, zeer helderen ring, die tegen middernacht meer dan de
helft van het gansche hemelgewelf beslaat. Des nachts koelt dan de lucht
minstens een graad of twaalf af, en den volgenden morgen is alles weer
in normalen toestand.
Dat is in korte woorden het gewoon verloop van een' Chamsihn-dag.
In Kaïro zelf, vooral in de enge straten der Arabische wijk, merkt men
er, buiten de hitte en het stof, weinig van, en de inboorlingen bekomme-
ren er zich dan ook weinig om. Zij rooken, drinken koffie, praten en
verrichten hun werk als gewoonlijk, en er heerscht hetzelfde bonte gewoel
als altijd, behalve dat men geene Europeanen ziet.
Iets anders is het echter, als de Chamsihn met buitengewone kracht
losbreekt. Gelukkig zijn zulke dagen zelden, maar ze zijn dan ook des te
vreeselijker. Zoo zal 30 April 1875 in dit opzicht onvergetelijk blijven. De
morgen vertoonde niets bijzonders. Geen enkel der boven opgegeven voor-