Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
357
fonigheid. Op de dorre stoppelvelden langs den spoorweg passeerden ons
nu en dan geheele gezinnen feilah's, eene soort van nomadische landbe-
woners, ellendige armoedige donkerkleurige wezens, met hunne kudden,
schapen, ezels, geiten en runderen. Zonder zelfs de geringste verbeelding,
alleen den spoorweg wegdenkende, kon men zich hier de oud-testamentische
tijden voor den geest halen, hoe de een of andere persoonlijkheid dier
dagen zich opmaakte met zijne vrouwen, kinderen en vee. Geven ons al
de feilah's een denkbeeld hoever de menschelijke verarming en vuilheid
gaan kunnen, zij staan toch nog veel hooger onder de menschen dan
hunne kudden onder het vee. Men denke bij hunne runderen niet aan
onze zware witte en bonte hollandsche koeien, bij hunne schapen niet aan
die vette fris.sche geelwitte dieren met hunne dikke wollige vacht, bij hunne
geiten niet aan die zindelijke zwart- en witbonte exemplaren, waarvan een
enkel bij ons een heel gezin ruimschoots van melk voorziet, of aan een
fraai geteekend span dat een kinderwagen voorttrekt; geen schaduw van
dat alles moet men onder den veestajjel in Egypte of Syrië zoeken. Eene
fellah-familie met hare kudde is een zwerm bruine menschen en bruine
dieren. Om onder al die magere bruine dieren de verschillende soorten te
herkennen is moeielijk; intu.sschen kan men aannemen als men eene kudde
ziet, dat de grootste, hoogstens zoo als een ezel bij ons, runderen zijn;
ziet men eene andere soort ongeveer een derde kleiner op wier achterschoft
een menschelijk wezen zit, dan zijn dat ezels, de schapen en geiten kan
iemand, die geen deskundige is, niet uit elkaar kennen, er wordt dan
ook weinig onderscheid in gemaakt, ze worden door elkaar geslacht en
gegeten.
Om een denkbeeld te geven wat den veestapel in Egyjite, Syrië, Arabië
en dergelijke woestijnlanden gewoonlijk is, afscheiden nog van armoede,
vuilheid en slechte verzorging, kan ik niet beter doen dan te herhalen
wat later een Fran.schman te Sues tot mij zeide, over de dorheid van
Egypte en de landen aan de Roode zee sprekende:
„Mais c'est efïrayant, mon Dieu! quel triste pays!" en er bij te voegen
wat een andere Franschman van ons land zeide, met wien ik in den
spoortrein van Utrecht ^jaar Gouda reisde, terwijl hij van onze weilanden
sprak:
„Ah! quel pays, ah! que c'est beau! mon Dieu quel verdure!"
Op een traject van zes uren sporens, zooals dat van Alexandrië naar
Kaïro, heeft men natuurlijk enkele stations, die echter niet veel bijzonders
zijn. Van de steden of dorpen, tenzij men daar bepaald op lette, ziet men
niets, want van steenen, net geverfde huizen, is geen sprake. De huizen
zijn vierkante blokken van den modder op de plaats zelve gekneed; het
vierkant is van boven open, daar het hier nooit regent, en alleen voor
de zonnestralen met eenige bossen stroo gedekt. Anderen hebben de ge-
daante van een bijenkorf met een gat op zijde om naar binnen te kruipen.
De huizen zijn dus geheel van dezelfde stof en kleur als de grond; van-
daar dat een dorp zich niet anders voordoet dan als eene oneffenheid op