Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
346
alles frisch hier aan boord: geen verf, geen teer, geen nieuw touw (wal-
gelijkste aller reuken voor de kieskeurigen!), geen vet, geen olie, geen
vernis; maar in plaats van dat alles bamboe en rotan en kokostouw en
atap van palmblaren, — alles zuiver plantaardige vezelen, die, zoo al,
dan aangenaam rieken en stille tooneelen in het groene en schaduwrijke
woud voor den geest roepen.
Ons schip had twee masten, indien men die groote beweegbare drie-
kante staken masten noemen kan. Wanneer gij in een gewoon schip de
hoofdtouwen en pardoens door stevige balken vervangt en den mast geheel
en al wegneemt, dan hebt gij de inrichting die aan boord eener prauw in
zwang is. Boven mijne hut was een doolhof van ra's en sparren, meest
van bamboe gemaakt, en rustende op dwarsbalken die aan de masten ge-
hecht waren. De groote ra, een ontzachlijk gevaarte van bijna honderd
voet lengte, was uit een aantal stukken hout en bamboe samengesteld, op
een vernuftige wijze met rotans aaneengesjord. Het zeil daardoor gedragen,
had een langwerpige gedaante en was zoo uitmiddelpuntig aangelagen,
dat, wanneer het korte einde naar het dek was gehaald, het lange einde
hoog in de lucht steeg, hetgeen de kortheid van den mast zeiven vergoedde.
De fok had dezelfde gedaante, maar was kleiner. Deze beide bestonden
uit matwerk en voltooiden, met twee kluivers en twee zeilen aan den achter-
steven van katoenen doek, onze gansche tuigage.
De bemanning werd gevormd door een dertigtal personen, inboorlingen
van Makasser en de naburige kusten en eilanden. Zij waren over het alge-
meen kort van gestalte, breed van aangezicht, flink en lustig van voor-
komen, en meerendeels nog jong. Hunne kleeding bestond, als zij aan
het werk waren, doorgaans alleen uit een wijde broek en een hoofddoek,
waarbij zij des avonds een dun katoenen buisje plachten te voegen. Vier
van de oudsten waren „djoeroemoedi's" of stuurlieden, en moesten twee
aan twee, met afwisseling om de zes uren, in het boven beschreven stuur-
hok hurken. Voorts was er een oud man, die den titel van „djoeragan"
of kapitein voerde, maar inderdaad was wat wij een eersten stuurman zou-
den noemen; hij was de bewoner der andere helft van de hut op het dek.
Een tiental ordentelijke lieden, Chineezen of Boegineezen, werden door
den eigenaar der prauw „zijn eigen volk" genoemd; zij werden wèl door
hem behandeld, van zijne tafel gespijsd, en steeds met de grootste be-
leefdheid door hem aangesproken. Met dat al waren zij grootendeels niets
dan pandelingen, d. i. schuldenaars, hem door den magistraat van politie
toegewezen, om tegen een dagloon bloot in naam gedurende een zeker
aantal jaren voor hem te werken, totdat hunne schulden vereffend waren.
Deze overoude Maleische instellingen heeft tot groote misbruiken aanleiding
gegeven, maar is een groote weldaad voor de kooplieden, die in deze
dunbevolkte gewesten niets kunnen uitrichten zonder hunne goederen toe
te vertrouwen aan agenten en kleinhandelaars, die ze dikwijls in spel en
ongebondenheid verkwisten. De mindere klassen zijn dus voor een groot
deel schier nooit buiten schuld. De koopman moet echter voortgaan met