Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
336
lucht blootgesteld en tot zwaren arbeid geroepen, verliezen doorgaans alle
bekoorlijkheid, zoodra de vaag der jeugd voorbij is, en worden bij klim-
mende jaren meestal afzichtig leelijk. Onder de vrouwen en dochters der
hoofden en aanzienlijken, die zich doorgaans in huis houden, is schoon-
heid minder zeldzaam. Tot het ideaal daarvan behoort bij de Javanen eene
goudgele lichaamskleur.
In het algemeen schijnt de gegeven schets het meermalen uitgesproken
oordeel te bevestigen, dat de echte Javaan meer dan de Soendanees en
Madoerees overeenkomt met de eigenlijke Maleiers, die hun' naam aan het
gansche ras hebben medegedeeld. Het verdient dus opmerking, dat de
Javanen en Maleiers op ongeveer gelijken trap van beschaving staan en
daarin de meeste overige volken van het ras overtreffen, terwijl bij beide
invloed van en vermenging met Hindoes, ofschoon niet in dezelfde even-
redigheid, als hoofdoorzaak van die meerdere ontwikkeling te beschouwen
is. En daar het vreemde bloed ongetwijfeld in veel gi'ooter proportie inde
hoogere dan in de lagere klassen gevonden wordt, bevreemdt ons ook de
opmerking van Rafifles niet, dat onder de Javanen het verschil in voor-
komen en trekken tusschen de hoogere klassen en den geringen man groo-
ter is, dan uit verschil van bezigheden en levenswijze kan worden verklaard.
De gelaatstrekken en lichaamsbouw der hoofden zijn, volgens dien schrijver,
merkelijk fijner en meer overeenkomende met die der bewoners van Hin-
dostan , terwijl het geringe volk duidelijker de teekenen van zijne Maleische
afkomst vertoont.
EEN KAPJACHT.
De zon was nauwelijks boven den wolkeloozen horizont zichtbaar, toen
ik met mijn vriend H. aan 't veer te Dajê-Kèlod uit den wagen stapte,
om een vriendschappelijken morgengroet te wisselen met onzen gastheer, den
regent van Bandoeng: Rddhèn Adhipdti Wira naxa Kóesóema, wiens
wagen reeds van den oever op de veerpont in den Tji Täroen afgelaten werd.
Andere wagens volgden den onze, en we hadden dus al den tijd, om
aan de uitnoodiging van den regent gevolg te geven en in den panggoeng
aan de rivierkant een kop thee en een stuk ópak te gebruiken.
Van tijd tot tijd voegden andere Bandoengsche gasten zich daar bij ons.
Eén voor één waren onze wagens over de rivier gezet, en met nieuwe
vier- of zesspannen voorzien, en toen ging de gansche trein in vollen galop
den weg naar Móenjoel op.
Däär zag 't er heel anders uit dan bij mijn eerste bezoek. De panggoeng
') Gebak van rijstmeel in den vorm van platte dunne ronde koeken, van de grootte
van een tafelbord.