Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
332
uit, die, bij duizenden op de lagere berghelling verspreid liggen. Ik bevond
mij weer in die bergstreek, waar steenen, gruis en asch elkander afwisselen
en enkele dorre grashalmen tusschen de oppervlakkige verweerde steen-
brokken opschieten. Hier kon ik staan, zonder vrees, dat 't loslaten en
voortrollen of schuiven der puinlagen mij in gevaar kon brengen van armen
of beenen te breken. In de fijnere gruis- en aschlagen vond ik de sporen
weer van de hoeven van een rhinoceros, even als we die 's morgens bij
't opklimmen hadden aangetroffen. Nog eenige honderden voeten scheidden
mij van 't vlakke zadel tusschen den levenloozen vulkaan en den wild
begroeiden Góenoeng Póetri.
Omziende, zag ik mijn reisgenooten hoog boven mij, als kleine wande-
lende punten langs den bergwand neerkruipen, en nu en dan achter groo-
tere steenhoopen verdwijnen. Ik besloot hun aankomst af te wachten,
ondanks den feilen dorst, die mij tot voortgaan aandreef. Maar mijn ver-
moeide beenen eischten rust, en ik vlijde mij zoo gemakkelijk mogelijk neer,
en liet mijn gedachten een vrije vlucht in de eeuwige ruimte van tijd en stof.
Was 't wonder, dat ik ook aan hen dacht, en aan haar, die ik in 't nevelig
vaderland achtergelaten had, en die waarschijnlijk nooit deze ontzettend
schoone natuurtooneelen zullen aanschouwen; die nooit van dezen woesten
puinhoop in den dreigenden afgrond zullen neerstaren, om aan den diep
gescheurden rand van den loeienden krater te gevoelen, hoe klein wij zijn
bij de grootheid der schepping; hoe zwak bij de almacht der natuurkracht!
Wat een vrouw gevoelen, lijden en genieten zou bij dien vernietigenden
aanblik! Maar haar voet is te teeder, zoo niet te zwak, om haar op te
kunnen voeren tot aan den rand van dien levenden afgrond des doods, —
zoo zij al breken kon met 't vooroordeel, dat haar verbiedt een kleederdracht
af te leggen, die een onverbiddelijke hindernis vormt bij eiken voetstap
op zulk een tocht.
Maar dat krachtige mannen en zelfs natuuronderzoekers (!) voor dezen
berg teruggedeinsd zijn, en ter halver hoogte van een onvolbrachten tocht
konden omkeeren!......
En toch is dat gebeurd!
Gezamelijk vervolgden we eindelijk onzen nu minder moeilijken weg.
En zeer vermoeid, en gemarteld door een ondenkbaren, ondraaglijken
dorst bereikten we de kleine kloof, aan welks overzij we onze paarden
onder de hoede van eenige inlanders hadden achtergelaten.
Nog een laatste kleine inspanning — en we waren er — en we lieten ons
neervallen in 't ruwe gras, en verslonden eenige rauwe , lialfrijpe komkommers,
en 't karig overschot van 't bij de paardenjongens achtergebleven drinkwater.
Toen onze jongens zich met een paar handen vol nasi met tjabé en
wat dèng-dèng verkwikt hadden, stegen we weer te paard, en vingen
we den terugtocht naar 't herbergzame Taróegong aan.
') Gekookte rijst, met Spaansche peper en in dunne lappen gedroogd vleesch,