Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
329
Deze vlakte is eerst ontstaan bij de uitbarsting van November 1843,
en gevormd door opvulling der groote kloof, die de beide toppen scheidde,
met een deel van 't lavapuin en van de asch, die toen door den Góen-
toerkrater werden uitgeworpen.
Dat puinveld kan slechts met de meeste voorzichtigheid, zonder gevaar,
betreden worden. Meermalen scheuren zich, vooral gedurende den regen-
tijd, groote massa's van zijn zijwanden af, en storten die dan als donde-
rende steenvallen, langs de steile berghellingen en kloofwanden naar
beneden.
De kraterrand bereikte de grootste hoogte in 't noorden en 't noordwes-
ten ; in 't zuidoosten was hij 't laagst: doch nergens was hij door een groote
kloof doorbroken.
't Gezicht op den krater was aan alle kanten vrij gelijkvormig. Steile,
meermalen bijna loodrechte wanden, door tallooze spleten van verschil-
lende wijdte en diepte gekliefd; enkele vooruitspringende dwarskammen,
waarop een deel van 't afstortende puin, in glooiende hoopen, boven de
diepte bleef hangen; 't geheel roodachtig grauw, soms donker grijs van
kleur; hier en daar gele plekken, door afgezette zwavellagen gekleurd, die
■'' de nog altijd dampende, of reeds lang uitgewerkte solfataren op een groo-
ten afstand in 't oog deden vallen; en overal ontelbare gaten en spleten
die dichte dampkolommen ontlastten, en dikwijls geheel daaronder weg-
schuilden.
Vooral aan de noordwestzijde was de kraterrand door concentrische
spleten en kloven omringd, die, in lengte en diepte verschillend, even-
wjdig met dien rand voortliepen en op sommige plaatsen ineenvielen,
waardoor groote rotsmassa's van den vasten bergwand afgescheiden werden.
Vele dezer kloven waren blijkbaar eerst in den laatsten tijd ontstaan,
en drongen, door een aanhoudend voortgaande verweering van haar lava-
wanden steeds dieper door.
Hier en daar helden dan de door die kloven afgesneden lavablokken
merkbaar naar den kraterafgrond over.
En als vroeger of later deze ontzaglijke puinmassa's donderend in die
diepte neerploffen; zal dan de door hen bezwaarde kraterbodem langer
weerstand kunnen bieden aan de spankracht der onderaardsche dampen,
en dus een volgende uitbarsting nog een tijdlang tegenhouden, — of zal
de zware schok van den diepen dreunenden val den verzwakten samenhang
van de verweerde en doormijnde lava-puinkorst verbreken, en een nieuwe
uitbarsting verhaasten of veroorzaken?
Hoe sterk dit verweeringsproces nog om zich greep, dit leerde ons een
nader onderzoek der kloofwanden zelf. We waren langs enkele dezer sple-
ten voortgewandeld, en, door er op sommige punten overheen te springen,
en op minder diepe plaatsen er doorheen te klauteren, hadden we een
der onmiddelijk boven de kraterdiepte hangende rotsen bereikt, en nader-
den we reeds den uitersten rand om van daar op den, van andere punten
uit onzichtbare, bodem des kraters neer te zien, toen we bemerkten.