Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
328
dit onvergelijkelijk grootsche natuurgezicht op mij maakte. Langer dan
een half uur stond ik daar op den kraterrand van West-Java's machtigsten
vulkaan: een der werkzaamste vuurbergen van geheel Indië.
Zwijgend en onbeweeglijk zitten een paar onzer Soendasche begeleiders
nevens mij op den puinbodem neergehurkt.
Met ontzetting en verrukking tevens staar ik in de geduchte diepte:
een reusachtige afgrond, tusschen vuurroode en bruingrijze, bijna lood-
rechte lavawanden ingesloten, uit wier tallooze spleten en kloven vulka-
nische dampzuilen, als dwarrelende wolken opstijgen.
Soms is de vreeselijke diepte geheel door dampen gevuld en bedekt,
terwijl de wolken van den dampkring om en beneden den buitenwaarts
glooiend afhellenden bergtop voortdrijven, van waar we ver over die wol-
ken heen staren in een oneindige ruimte, als die van den blauwen hemel
boven ons.
Geen enkele plant groeit op dezen bodem van puin en asch, dan mis-
schien een eenzaam mos- of varenblaadje, aan den vochtigen wand van
een meer verwijderde spleet.
Geen enkel insect leeft er op dit grondgebied des doods!
Alleen staan \vij hier als levende telgen der natuur; en om ons
heerscht de woeste kracht der vernieling!
Geen geluid breekt de heilige stilte der schepping, dan nu en dan een
wild gesis, of een doffe donder, oprijzend uit den onpeilbaren schoot des
kraters....
Daar klonk van ver de roepstem onzer achterblijvers, die ons spoor in
de lagere wolkenzone verloren hadden. Ik zond de mij vergezellende
inlanders, op 't geluid af, hen te gemoet, en alleen bleef ik terug op den
eenzamen bergtop.
Ontzettende eenzaamheid!
Een rotsklip in den luchtoceaan!
Een puinhoop; en niets dan die puinhoop, in een onbegrensde zee van
schitterend witte wolken!
En om mij heen en boven mij de oneindige ruimte; maar niets dan
die ruimte; — en vóór mij de geduchte, de loeiende afgrond; de drei-
gende diepte van den geopenden schoot onzer aarde! . ...
Ontzettende eenzaamheid ?.....
Neen! geen eenzaamheid; want ook hier leeft de onwankelbare natuur-
wet, de ondoorgrondelijke eeuwige wil.
Nadat wj uitgerust hadden, wijdden wij onzen vrijen tijd aan 't onder-
zoek van den kraterrand. De krater zelf was volstrekt ontoegankelijk. In
't noordwesten rees de lavamassa tot een hoogeren bergkam op, van waar
't gezicht in de kraterdiepte evenwel minder ruim en treffend is. Daarach-
ter breidde zich, eenigszins komvormig ingezakt, een verbindingsvlakte
tusschen dezen kratertop en den eerstvolgenden der drielingtoppen van dit
gebergte: den 500 voet hoogeren Góenoeng Mêsigit, uit.