Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
327
heid der steenbrokken en grindlagen met den stok ot met de hand te
verkennen, alvorens zich de voet er op wagen mocht.
Maar juist daarom meende ik nu toch werkelijk nabij den top te zijn,
en sloeg ik den blik terug, om te zien, hoever mijn andere reisgenooten
nog achter waren gebleven; maar — de gansche ontzettende berghelling
onder mij was in een ondoorzichtigen nevel weggedoken.
Verbazend snel zag ik de wolken zich beneden mij en om mij heen
ontwikkelen en tot mij oprijzen, en in weinig oogenblikken was ik door
een dichten mist omgeven, die alle meer verwijderde voorwerpen aan
't gezicht onttrok, en alleen de naaste Omgeving in een nevelig duister
zichtbaar liet.
Geen enkel levend wezen was er meer in mijn nabijheid. De hemel en
de aarde hadden opgehouden voor mijn oogen te bestaan. Ik ademde
alleen in een ontzettende eenzaamheid: een lava-puinhoop boven loeiende
kraterafgronden; — een rotseiland in een zee van wolken en schemerlicht!
Maar ik kende mijn weg door dien nevel heen; — altijd hooger! Wel-
licht zou de kratertop onbewolkt zijn, zoo als ik dien nog den vorigen
dag boven een wolklaag had zien oprijzen in de onbenevelde ruimte.
En werkelijk wikkelden de dichte nevels zich weldra van mij en mijn
onmiddelijke omgeving los, en ik zag de beide mij zoolang vooruitgebleven
inlanders, op geringen afstand van mij, bij een vulkanische spleet neerge-
hurkt, waaruit kleine dampwolkjes opdwarrelden. Dat was een verblijdend
teeken! De langdurige klimtocht spoedde werkelijk ten einde. Ook de
helling begon zelfs merkbaar vlakker te worden. Vijf uren geleden waren
we op reis gegaan, en drie uren had ik reeds op de naakte puinhoop
voortgeklommen, en 't was elf uur in den middag, toen ik mij bij deze
eerste dampende bergspleet neerboog om die te onderzoeken.
De onmiddelijke omgeving was zeer verwarmd; de halfverweerde spleet-
wanden waren brandend heet. De sissend opstijgende dampen bevatten
weinig zwavelig zuur en geen zwaveldamp, en schenen dus bijna geheel
uit waterdamp te bestaan. Ook was aan den mond en de binnenwanden
der spleet geen spoor van zwavelsublimaat te vinden.
Een enkele maal meende ik een flau wen reuk van chloor te onderkennen.
Wat ik hier met den naam spleet aanduidde, was een schuin naar
boven loopende rij van kleine dampende openingen, in den grootendeels
met lavagruis en kleinere steenen bedekten trachietbodem.
Het terrein in de omgeving dezer spleet was bijna vlak, en ik moest mij
dus nabij den zuidelijken kraterrand bevinden; en toen ik nog een paar-
honderd schreden voortgegaan was, over een bodem, die overal elders
onbegaanbaar zou geacht worden, maar die voor onze zwaarder beproefde
beenen bijna niets te wenschen overliet, toen stond ik werkelijk op de
vlakte van de ruim 6000 voet hooge bergkruin, aan den rand van een
ontzettenden afgrond, van den dreigenden krater des Góentoers.
Ik besloot hier de komst van mijn achtergebleven tochtgenooten af te
wachten, en gaf mij geheel aan den overweldigenden indruk over, dien