Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
325
ons ophieven en 't zwaartepunt van ons voorover gebogen lichaam naar
voren verplaatsten.
Een der grootste lavablokken, links van de tot dusver door mij gevolgde
richting, kwam mij als een geschikte pleisterplaats voor, en ik had nog
maar een weinig hooger te klimmen en een paar andere lava-puinstroomen
zijdelings over te klauteren, om mijn nieuwe rustplaats te bereiken. Ik
vond 't echter raadzaam, de vastheid van mijn hoogen troonzetel behoorlijk
te beproeven en mij van zijn veiligheid volkomen te verzekeren, eer ik
er mij op neerzette, en er mijn leven aan toevertrouwde.
Toen wachtte ik mijn jongen op, die mijn schetsboek in een doek, die
aan zijn schouder hing, bij zich droeg; en onthief hem eervol van de
verdere zorg voor dien trouwen medgezel mijner bergtochten; trouwens
niet zonder hem, in rail daarvoor, een deel van de kostbare schatten toe
te vertrouwen, die, in den vorm van verweerde en onverweerde steenen,
al mijn zakken vulden, niettegenstaande ik mij voorgenomen had, gedu-
rende 't opstijgen zoo weinig mogelijk steenen mee te voeren, en die liever
bij 't afklimmen te verzamelen.
Toen genoot ik een deel van den wellust, die de grootste natuurschil-
ders tot kunstenaars gevormd heeft.
Toen bewonderde ik op nieuw 't grootsche panorama, dat thans reeds
aanmerkelijk boven de hoogste toppen van den Góenoeng Póetri was opge-
rezen, en welks rijke bijzonderheden zich allengs vóór mijn oogen ont-
wikkelden, naar mate ik de, hier en daar door wolkengroepen gebroken,
berglijnen in mijn schetsboek overbracht.
Dédr lag de prachtige kegel van den Tji-Kóerai, in al de reinheid van
zijn vorm, vóór mij; donkerblauw zich afteekenend tegen 't zacht azuur des
hemels. Duidelijk herkenbaar vertoonden zich de vele, divergeerend van
den top neerloopende bergribben, door zacht gebogen uitspoelingsdalen
gescheiden, en aan den voet des vulkaans in breede wrongen uitloopend,
tot ver in de vlakte; en van den hoogen top af tot aan de zone van 4000
voet, met eeuwen heugende wouden bekleed.
Hoeveel eeuwen moeten nog voorbijgaan, eer ook, volgens den vasten
loop der natuurvvetten, onder een dergelijk plantenkleed de laatste sporen
verdwijnen zullen, van de lavastroomen, die mij thans gedragen hadden,
ot die volgende uitbarstingen van den Góentoer nog daarover zullen
uitbreiden ?
Hoeveel menschengeslachten zullen dan vergeten zijn, die leven en ster-
ven zullen op de graven van 't tegenwoordige?
Hoeveel levensgenot zal verloren gaan; hoeveel lijden zal geleden zijn
en opgelost worden in den eeuwigen kringloop van ztjfi, en niet zijn;
in den machtigen stroom van den tijd?.....
Lang had ik voort kunnen schetsen en — droomen; verleden en toe-
komst, tijd en eeuwigheid peilend met de gedachte en omvattend met de
kracht der verbeelding.
Maar eenige mijner reisgenooten hadden mij reeds ingehaald, en twee