Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
324
boven mij, — rustte ik op mijn bed van steen even veilig en gemakkelijk,
als thuis in den zachtsten luierstoel. Vermoeienis verzacht 't hardste leger.
In 't zuiden lagen de breede ruggen van den veelvormigen Póetri onder
mij. Zijn hoogste, wild begroeide toppen bedekten nog een deel van de
kim en den voet van de Papandaian-keten, en van den Tji-Kóerai; en
zijn krachtig geteekende bruingroene vormen staken helder af tegen de
zachtblauwe tinten dezer machtige bergketens, en de nevelige lijnen der
verre, bergachtige zuidkust, dje zichtbaar werd boven de bergzadels tus-
schen de toppen der hoogere vulkanen.
Van den gapenden krater des Papandaians liep een golvende bergrug
tot achter den gezichtsrand van de Góentoerhelling, rechts van mij. En
noordwaarts, links van den Tji-Kóerai verhieven zich in 't oosten de ketens
van den Kingga-Ratoe en den Galóenggoeng en nog noordelijker die van
den Góenoeng Têlaga-Bódas, die links van mij achter de Góentoer-helling
verdween, die onder een hoek van 45 graden van uit de diepte naar den
hemel oprees.
Wat een plantenwereld op gindsche bergketens; wat een natuurweelde
en levensrijkdom; van de verre blauwe kimmen af tot onder mij in 't altijd
groene dal! ...
En wat een levenlooze dorheid op de steenen bergmassa om mij, onder
en achter mij!
Wat een sprekend contiast van leven en dood; van ontwikkeling en
vernietiging!
Nog een enkele hevige uitbarsting uit den krater die boven mij zijn
lichte dampwolkjes dwarrelend uitstoot — en dat leven ligt misschien be-
dolven onder de asch- en puinlagen van den ontzaglijken lavabodem die
mij draagt!
Wel was ik mijn tochtgenooten vooruitgekomen; want nu eerst onder-
scheidde ik hen, zooals ze op verschillende afstanden onder mij en schijn-
baar verbazend klein, zich langzaam over de berghelling voortbewogen.
Één hunner had zich pas van een rotsblok opgeheven, waarop hij, even
als ik op 't mijne, rust en verademing gezocht en gevonden had; en ik
zag hem een der inlandsche waterdragers inwachten, en de bamboebuis
aan den mond leggen, en op eenmaal gevoelde ik dat de dorst een kwel-
ling en een prikkel is, die 't onschatbare bergwater tot een goddelijken
nectar verheft. Ik toefde dus nog tot een der inlanders onder 't bereik van
mijn stem was gekomen, en riep en wenkte hem toen van zijn pad af
naar mij toe; en dronk toen een heerlijke teug, die mij 't zweet over
't geheele lichaam opnieuw deed uitbreken. Toen begon ik weer met
nieuwen moed te klimmen.
Een aanmerkelijk eind hooger deed de behoefte aan verademing zich
weer gevoelen, te meer, daar de grootere rotsklompen zeldzamer geworden
waren, en de kleinere, nog menigvuldiger dan vroeger, maar veel losser
opeen gevlijd lagen, zoodat zelfs de grootere brokken onder onzen voet
wankelden en omkantelden, en teruggleden onder onzen tred, zoodra we