Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
323
helder op de breukvlakken der steenbrokken, en vooral in de hooger lig-
gende en jongere puinlagen.
Een natuurlijk gezichtsbedrog had mij dezen tocht met te meer moed
en lust doen aanvangen, daar 't mij den duur en de vermoeienis van deze
klimpartij veel te gering deed voorkomen. De rechte, hooger op den berg
zich naar binnen terugbuigende lijn der berghelling maakte een zoo gerin-
gen hoek met onze gezichtsas, als we den blik naar den schijnbaren berg-
top richtten, dat we ons reeds dicht bij^den top waanden, toen we nog
een paar duizend voet beneden den kraterrand op de helling van den
vulkaan voortkropen. Doch hoe hooger we kwamen, telkens wees deze
gezichteinder naar hooger grenzen terug, altijd door volgende grootere
lavabanken bepaald, om spoedig opnieuw weer verder te wijken. Ik kon
't mij niet langer ontveinzen, dat onder deze herhaalde misleiding mijn
eerste moed een weinig begon te zakken; maar ik had vast besloten, den
krater te bereiken, en liever achter een rotsblok, op de helling van den
berg, te overnachten, dan den eenmaal begonnen tocht op te geven, en
't schoone doel te missen.
Bedaard en gelijkmatig voortklimmend, schoon meer en meer vermoeid,
kwam ik trouwens aanhoudend verder. Maar eindelijk werd de inspanning
van mijn borst mij te zwaar, en hijgend zag ik naar rust en verademing
uit. Mijn beenen waren als verlamd, mijn longen uitgeput, en hart en
slagaderen klopten mij, hoorbaar bonzend, in hoofd en borst.
Ik klom dus op een der daartoe 't best geschikte lavablokken, en vlijdde
mij half zittend en half liggend daarop neer, den rug tegen een ander rots-
blok gesteund en naar den bergtop gekeerd, en 't gezicht naar de vlakte,—
naar de diepte.
Welk een gezicht! ....
Vóór mij en ver onder mij 't schilderachtige dal van Garoet, met zijn
honderden en duizenden sawah's, meest droogliggend, maar hier en daar
ook met blanke waterspiegels bedekt: heldere lichtpunten in een oneindig-
heid van groene tinten; — met zijn ontelbare kampongboschjes: donkere
eilandjes in die zee van kleuren en licht; — met zijn veelvormige meren;
zijn kronkelende rivierstrepen; en zijn donker uitkomende hoofplaatsen
Taróegong en Gäroet: vreedzame tweelingdorpen, schijnbaar dicht nevens
elkander sluimerend in de diepte aan mijn voet.
Een duizelingwekkende diepte!...
En uit die diepte rees de ruwe berghelling, ijzingwekkend steil omhoog,
een chaös van rotsen en puin; een oneindige woestenij van steen'!
Ware ik vatbaar geweest voor duizeligheid, nauwlijks had ik hier een
veilige schuilplaats kunnen vinden, onder den overweldigenden indruk
van 't geheel.
Ik kon slechts hooger opklimmen of afdalen; dezelfde steenhoop, die
onder mij naar de aarde af helde, rees achter mij naar de wolken omhoog;
maar — behoudens de mogelijkheid van een onverwachte aardschudding
onder mij, of van een plotselinge uitbarsting uit den dreigenden krater
21*