Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
3Ö1
Na een paar palen gereden te hebben, klommen we, eerst door kam-
pongtuinen en boschjes, en later door dorre wildernissen omhoog.
We moesten, om de geringe breedte van 't pad, achter elkander rijden,
en ons daarbij vrij houden van de grootbladerige takken der boomvormige
urticeën, waartusschen 't smalle pad voortliep. Ik kende deze heesters nog
niet, en plukte onder 't rijden een der ruwe, grijsgroene, langwerpig ronde
bladeren af, wier oppervlakkige gelijkenis met die van enkele grootblade-
rige /7'c?/j--soorten mij hier een nieuwe, mij onbekende Ficus deed ver-
moeden; maar de brandende pijn, die deze aanraking mij veroorzaakte,
en die ik nog na eenige dagen, vooral bij drukking of bij aanraking met
water voelen kon, overtuigde mij volkomen van mijn dwaling. Zoo ik
niet den minsten zin voor botanische studiën gehad had, zou ik toch deze
reusachtige brandnetels nooit meer kunnen vergeten. De Soendasche naam
Póeloes is mij dan ook trouw bijgebleven. Ik ijsde bij de gedachte aan
de mogelijkheid van een val langs de steil afloopende berghelling rechts
van ons pad, een helling, die met scherpe grassen en doornige solaneën
en andere kruiden bedekt was, waarboven honderden van deze bladerrijke
brandnetelboomen en heesters hun lage armen uitspreidden. Waarlijk, een
netelig bed!
Na een uur rijdens waren we aan een kleine kloof gekomen, die den
wild begroeiden Góenoeng Póetri van den naakten steenigen Góentoer
scheidt. Daar lieten we onze paarden achter met een gedeelte van ons
gevolg, om zelf met de overige inlanders verder te gaan.
Toen zagen we tegen den woesten lavaberg op, wiens gelijkmatig steile
helling ons nergens een spoor van een pad ter beklimming aanbood. Welk
een aanblik! Een hemelhooge donkere puinhoop, een dreigende eeuwigheid
van steen, zonder leven, zonder water! maar een beeld van kracht, van
strijd, van overwinning en vrijheid!
Maar van ons standpunt gezien, scheen de machtige helling grootendeels
uit asch en zand te bestaan, en kwam de beklimming ons minder moeilijk
voor dan we spoedig zouden ondervinden.
Vol moed begaven we ons op weg en klommen we door de grenskloof.
We stonden op 't eigen grondgebied van den geduchten vulkaan.
Millioenen kleine en grootere lavablokken, blauwgrijs, soms rood- of
witachtig van kleur, rustten op een grauwen, soms bijna zwarten, vulka-
nischen aschbodem, onder ons, rondom ons, vóór ons, en ver boven ons.
Ik was vooraan, en richtte mijn gang lijnrecht over deze puinvlakte,
naar den hoogen, verren, ondersten kraterrand.
Mijn reisgenooten volgden mij langs een kleinen omweg, om eenige
spleten om te trekken, die ik doorgeklommen was. Drie inlanders droegen
bamboebuizen, die met drinkwater gevuld waren. Tot mijn verrassing zag
ik dat mijn Sóendasche jongen, dien ik verlof had gegeven om thuis te
blijven, ons uit vrijen wil gevolgd was.
Het terrein was aanvankelijk wel hobbelig en heuvelachtig golvend, maar
toch weinig hellend, en dus niet moeilijk te begaan. Wij hielden ons, al
h. H. BO.S, Gloht. 21