Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
315
niet onbevallig met eene donkerroode sarong gekleed zijn, die helder afsteekt
bij de blauwe met zilver gestikte en de knieën reikende badjoe. De klee-
ding der mannen is hoogst eenvoudig en doelmatig. Te huis en op het
veld draagt de man niets anders dan een korte broek en den onmisbaren
hoofddoek, waarboven soms een groote toedoeng, zoowel tegen de zon als
den regen, geplaatst is. Bij feestelijke gelegenheden schiet hij eene donker-
blauwe, nauw om het lijf sluitende badjoe aan, van voren bij den hals
opengesneden, en van korte, wijde mouwen voorzien, die volgens de hadat
niet verder dan tot den elleboog reiken. Over de broek hangt eene sarong,
die gewoonlijk opgehaald is, en om de lendenen of soms om de schouders
wordt geslagen. Hoofden en gegoeden zijn op deze wijze gekleed; hunne
kleederen, en vooral de buikband, zijn met goud- en zilverdraad gestikt
en omzoomd, en in den regel dragen zij allen eene kris./ Het valt overi-
gens licht, aan de kleederdracht de woonplaats van den man te herkennen.
Zoo draagt de ingezetene van de XIII Kota eene korte broek, die ter
nauwernood de knieën bedekt. Een Agammer vindt dit zeer onbehoorlijk,
en draagt eene lange broek. Zeer algemeen is bij zwervende lieden een
dracht, die zich vroeger tot het noorden van Sumatra bepaalde, de zoo-
genaamde Atjehsche broek, met een wijd en laag afhangend kruis, gelijk
de pantalon der Fransche Zouaven.
De vrouw (men houde mij den weinig kieschen overgang ten goede,
waartoe ik trouwens onwillekeurig geleid werd, daar de Maleische vrouw,
hoe ondergeschikt hare stelling volgens de hadat ook zij, in vele gezinnen
de baas is) is op eene wijze gekleed, die hare goede zijde op 't voordee-
ligst doet uitkomen. Op de donkere, nauwsluitende badjoe, die, veel lan-
ger dan het buis der mannen, op de fraai gekleurde sarong hangt, teekenen
zich de kleine, in den regel fraai gevormde borsten; de sierlijke slendang,
vooral de donkerroode, met goud gestikte kasoemba, die zij nu eens als
een bandelier omgeslagen, dan weêr met afhangende tippen om het hoofd
heeft gevouwen, verhoogt den glans der blauwzwarte haarvlechten of den
gloed van het donkere oog; de gansche dracht is uitnemend geschikt, om
de fijne en soms fraaie vormen, de slanke leest, de lenigheid en den
luchtigen en zwevenden gang van de Oostersche vrouw te doen uitkomen.
Dit geeft haar op een' afstand iets bekoorlijks, maar hoewel de geelbleeke
kleur het gelaat niet ontsiert, en veeleer aan de morbidezza der vrouwen
in zuidelijk Europa doet denken, brengen het gezicht der inlandsche vrouw,
de stompe en misvormde neus, de roodgevervde sirihmond met de zwarte
afgevijlde tanden, en het uitgerekte oor, dat in de lel een sieraad (!)
draagt, ter grootte van een rijksdaalder, — brengt dit alles den Europeaan,
zoolang zijn smaak niet geheel is bedorven, van zijn gunstig oordeel over
de inlandsche schoonen weêr spoedig terug. De pasar is trouwens geene goede
gelegenheid, om de Maleische schoonen te zien. In vele negariën strijdt
het tegen de hadat, dat de jonge meiges ter markt gaan. Meestal ziet men
er slechts getrouwde en bejaarde vrouwen. Zijn deze uit de XIII Kota
afkomstig, dan dragen ze het haar in lange vlechten; de anderen hebben