Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
307
overige gebergte, de kruin tot in de wolken beurt, schijnt met purper en
goud overdekt. Het dorp zelf ligt aan den oever van het meer, in het
midden der groote vallei, die van den Merapi in zuidelijke richting zacht
glooiende oprijst tot aan den voet van den Talang (den rookenden vuur-
berg ten zuiden van Solok), en waarvan de noordelijke helft, die, zooals
Junghuhn in zijne Battahländer zich uitdrukt, trogvormig uitgediept is,
door het meer wordt ingenomen. Het uitgebreide sawahvlak, waarop men
van de hoogte nederziet, en dat het dorp tot aan den oever van het meer
omsluit, doet zich voor als mozaïek, verdeeld als het is in eene menigte
vakken van allerlei vorm en grootte, waarvan sommige met jong en krach-
tig groen, andere met ruwe stoppels of met gele halmen en aren bedekt zijn.
Sneeuwwitte reigers zoeken hier in ontelbare menigte des avonds eene
schuilplaats. Langzaam strijkt de vlucht over het rijstveld heen, en laat
zich neêr op een hier en daar in de sawahs alleenstaanden boom, die
plotseling als met groote witte bloemen bedekt wordt. Nederkomend in
het dal, hoort men den klank der kalintoeng, het houten klokje dat den
forschen buffel aan den nek wordt gehangen. Een kleine jongen leidt de
kudde van de geurige weide weêr terug naar de veilige schuilplaats onder
de woning. Weldra onderscheidt men tusschen het sawahgroen den hoog-
rooden slendang, welken de Maleische vrouw, als zij op weg is, gewoon-
lijk om het hoofd heeft geslagen, en, volgt men het pad, dat door de
velden leidt, dan achterhaalt men eene menigte mannen en vrouwen, die
rustig van hun dag^verk huiswaarts keeren. Sommigen dragen een lichten
ploeg op den schouder, anderen houden eene duif in de hand. Na over-
dag onder den gloeienden hemel te hebben gezwoegd, gaan ze, onder
vroolijk gekout, de zoete rust te gemoet in de stille, belommerde woning.
Vroolijk blinken de kruinen der palmen, in den avond als met goud over-
strooid; luide weêrgalmt het gestamp in het rijstblok; ^allerwege heerscht
leven en drukte. Doch weldra verflauwen de schitterende kleuren, die den
hemel in het avonduur tooien; breede schaduwen breiden zich uit over
het dal en de bergen, het gekweel der vogels verstomt, en met hen schij-
nen alle stemmen te zwijgen. Welhaast is alles ter ruste gegaan, en hoort
men in de nachtelijke stilte alleen de zware ademhaling van het meer.
Laten we het dorp zelf in den ochtend bezoeken. De meeste dorpen
zijn aan elkander gelijk; houden we ons dus aan de kota Singkarah als
type. Niet zonder moeite volgen we het smalle pad, dat in allerlei boch-
ten de kampong-boschjes doorsnijdt: nu eens is het als met steenen be-
zaaid, dan weêr, onder het dichte loof der bamboe-stoelen, onbegaanbaar
glad en modderig. Dicht gebladerte, waartusschen hier en daar een zonnetje
speelt, sluit het pad van weêrszijden. Niemand komt ons tegen. De man-
nen van het dorp zijn aan het werk, daar buiten op sawah en ladang of aan
koffietuinen en wegen, waarheen de vrouwen hen volgen met rijst, een
paar potten of ander gereedschap. Er is nergens een levend schepsel te
zien, behalve een enkele karbouw, die ons aanstaart met wijd geopende
oogen, snuivend op zij springt, zich losrukt van de heg, waaraan hij met
20*