Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
304
bijgeloovig, hebzuchtig en vooral begeerig naar goud. Want goud geeft
den hoofden aanzien en heeft tevens de goede eigenschap, dat het bij
onverwachte aanvallen, brand en dergelijke omstandigheden het gemak-
kelijkst kan worden gered. Inweerwil van hunne vele oorlogen en velerlei
gruwelen schijnen zij niet bloedgierig te zijn; want de doodstraf wordt
altijd op de minst pijnlijke wijze voltrokken. Bijzondere vlijt is nu juist
geene hoofdeigenschap van de Niassers; maar men dient in aanmerking te
nemen, dat de goudgierigheid der hoofden het voor den geringen man
werkelijk gevaarlijk maakt, welvarend te zijn.
"Van nature zijn ze niet lui; dit blijkt uit het feit, dat de Niassers te
Padang als vlijtige werklieden bekend staan. Het behoeft geene verwonde-
ring te verwekken, dat de bewoners van Nias nog op een lagen trap van
beschaving staan; hun eiland toch is klein, hunne gemeenschap met andere
volken niet van dien aard, dat ze er veel beschaving bij kunnen opdoen;
de middelen tot ontwikkeling waarover zij kunnen beschikken zijn gering.
Toch schijnen ze zeer goed vatbaar te zijn voor ontwikkeling; vooral de
volharding, waarmede ze vasthouden en blijven werken aan hetgeen ze
zich eenmaal hebben voorgenomen, wettigt dit vermoeden. Het verkeer
der Niassers is onderling nog niet levendig; dit blijkt hieruit, dat de dia-
lekten van het noorden en het zuiden des eilands zoozeer van elkaar ver-
schillen, dat de bewoners van de noord- en die van de zuidzijde elkaar
niet vérstaan. Het aantal der bewoners kan niet met zekerheid worden op-
gegeven, daar nog groote gedeelten, vooral in het dichtst bevolkte zuiden,
zelfs niet eens door Europeanen zijn bereisd. De zendelingen en de Neder-
landsche Controleur van Goenong Sitoli schatten de bevolking op % millioen.
Dr. Junghuhn houdt het er voor, dat de Niassers direct van de Batta's
op Sumatra afstammen. Onwaarschijnlijk is dit niet; maar in allen gevalle
moeten beide volken reeds lang van elkaar gescheiden zijn geweest, daar
bij overeenkomst in taal ook groote verschillen aanwezig zijn.
De dorpen der Niassers zijn in het noorden meestal boven op een' heu-
vel gebouwd, waarvan men de hellingen zoo steil heeft gemaakt, dat ze
alleen met een' ladder te beklimmen zijn. In 't zuiden zijn de dorpen veel
grooter; daar tellen ze soms wel 500 huizen en liggen vaak in de vlakte,
zijn met muren omgeven en hebben dikwijls geplaveide straten en met mu-
ren omringde badplaatsen. De huizen, die overal op palen staan, zijn in
't noorden tot 50, in 't zuiden tot 80 voet lang en respectievelijk 25 en
40 voet diep. Overal bestaan zij uit eene groote ruimte in het midden,
waaromtoe kamers liggen. In het midden zijn, behalve een gemeenschap-
pelijke haard, de uit hout gesneden beelden van goden en voorouders in
grooten getale, bovendien de kaken van alle in dat huis geslachte varkens
en in het zuiden ook de menschenschedels. De ingang tot het huis is in
het zuiden er midden onder.
Het huisraad bestaat uit door de inboorlingen zeiven vervaardigde aarden
potten, en in 't zuiden ook nog uit porseleinen schotels en borden en deze
soms in grooten getale.