Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
290
stad lo ooo palmstammen te laten aansleepen om de loopgraven van
palisaden te voorzien; tegenwoordig zal de reiziger zich gelukkig moeten
rekenen, als hij na een verschrikkelijken marsch over een gloeienden zand-
bodem, heet genoeg om er eieren in te koken, en tusschen ingestorte
kanalen die in vroegeren tijd gezamenlijk een net van 15 000 wateraderen
vormden, eene palmen-oase ziet, waar hij een weinig schaduw kan genie-
ten. Van verkoeling kan in een land waar de zon „vuur regent", — zoo-
als de bijna naakte Bedoeïnen zeggen, — geen sprake zijn. In 't heetste
deel van den zomer, als de vensters — waar ze althans aanwezig zijn,—•
springen, ziet men de zon door een grijsgeel floers van fijn zand, en de
muren van Bagdad zijn eerst zichtbaar, als men ze haast betasten kan.
Wat de echte Turken-heerschappij uit eene stad kan maken, dat vindt
men nergens duidelijker geïllustreerd dan in de ellendige „stad des Heils".
Daarbij kwamen de eeuwigdurende vijandelijkheden tusschen de Perzen en
Turken, die werden gevoed door godsdiensthaat, en de pest, die o.a. in
1831 te Bagdad heviger dan ergens elders heeft gewoed. Had de Turk
Timur aan zijne 100000 krijgslieden bevolen, dat ieder, die zijn eigen
leven wilde behouden, het hoofd van een' inwoner van Bagdad moest
kunnen vertoonen, in 1831 stierven in weinige maanden evenveel men-
schen aan de pest. Tegenwoordig zwerft in de steppen rondom Bagdad
de roofzuchtige Bedoeïn, die op iederen reiziger en iedere karavaan loert,
of de laatste op een' dwaalweg leidt, waarna hij de van dorst versmachten
uitplundert.
Eene beschrijving van het tegenwoordige Bagdad te geven, is hoogst
moeilijk. Aan beide zijden van den Tigris strekken zich de vuile, ver-
waarloosde wijken uit, half puinhoopen, half bouwvallige huizen, waartusschen
slechts hier en daar eene moskee met haar verglaasd koepeldak eenig leven
brengt. De wijk der bazaars in 't noorden der stad ziet er nog het best
uit; daar staat aan den Tigris het kasteel, dat de Arabieren eerbied en
vrees inboezemt. Alleen een volk dat zoo weinig begrip van arrillerie heeft
als de Arabieren, kan op het denkbeeld komen, dat het weinige overoude
bronzen geschut nog iets te beteekenen heeft. De zoogenaamde vestingmu-
ren, die het deel der stad op den linker oever aan drie zijden omgeven,
zijn op echt Turksche mjze verwaarloosd. Ze hebben torens en poorten,
de eerste zoo hecht, dat een enkel kanonschot voldoende zou wezen om
ze te doen instorten; de laatste zijn zoo goed voor de passage geschikt,
dat de weekhoevige kameelen liever door de vele bressen in de muren de
stad binnen gaan of verlaten dan door de poorten.
Op den rechter Tigris-oever ligt de zoogenaamde „karschiaka", welk
Turksch woord zooveel beteekent als voorstad. Twee schipbruggen, in
zoo goeden toestand, dat paarden en kameelen gevaar loopen er hunne
pooten op te breken, verbinden de beide helften der stad. Men kan zich
ook bedienen van eene soort van pont, die alleen door hare grootte van
eene gewone korf verschilt. Ze is behoorlijk diep en met aardpek water-
dicht gemaakt en heeft plaats voor een half dozijn menschen; zelfs worden