Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
280
schoonste paleis. De Tadsjik is een nakomeling van Perzische kolonisten,
en de Sarte is van gemengde Arische en Turksch-Mongoolsche afkomst,
doch de Arische eigenschappen treden bij hem het meest op den voor-
grond. De Kiptsjaken, een Oesbeken-stam, bewonen het land tusschen den
Kara-Darja en den Naryn , dat de inwoners Kisoe-Arasi, d. i. Mesopotamie,
noemen. In de dorpen vindt men ook Turken, eene vermenging van
Oesbeken en Kara-Kirghiezen, verder van Kasjgar gekomen Turkomanen;
op de wegen ontmoet men zwervende Kirghiezen en trekkende Zigeuners,
die als hunne Europeesche broeders houten huisraad vervaardigen en ten
verkoop aanbieden. In de steden vindt men nog Perzen, Indiërs, Afghanen
en vele handeldrijvende en nijverheid uitoefenende Joden.
De derde zone gelijkt op de eerste, maar zand komt er zelden voor en
de bodem is meest zeer steenachtig; eenige Oesbekendorpen geven nog
wat leven aan deze woestenij.
De vierde zone is in menig opzicht de belangrijkste. In een gematigd
klimaat, op de eerste hellingen der groote bergketenen, die Ferghanah
omsluiten, in vnichtbare dalen leven hier landbouwende Tadsjiken. De ge-
heele zone is zeer vruchtbaar en ongetwijfeld voor kolonisatie van Euro-
peanen zeer geschikt.
De vijfde zone, eene der grootste, omvat groote hooggelegen grasvlakten,
waar de Kara-Kirghiezen des winters hun nomadenleven leiden. Des zomers
brengen zij hunne tenten en kudden naar de zesde zone over, tot in het
Alai-dal, hetwelk in de nabijheid ligt van de hooggelegene passen, die uit
het Ferghanahgebied naar Karategin, naar Kasjgar of naar het Zevenstroo-
menland voeren. In de beide laatste zonen zijn hooggelegen bergmeren,
naftabronnen en allerlei delfstoffen , o.a. groote kolenlagen, meest bruinkolen.
Uit hetgeen gezegd is, blijkt, dat het Ferghanah-gebied door vele volks-
stammen bewoond wordt. Deze stammen zijn:
1. De Tadsjiken, die men in stad- en berg-Tadsjiken kan verdeelen; de
eersten vindt men in alle groote steden der tweede zone, de laatsten daaren-
tegen uitsluitend in de vierde. De berg-Tadsjiken hebben het Arische type
vaak zuiver bewaard; de stad-Tadsjiken zijn meer met Oesbeken en Kir-
ghiezen vermengd.
2. De Sarten. Eensdeels is Sarte geen ethnographische begrip: ieder
stedeling en landbouwer, onverschillig van welken oorsprong, is een Sarte;
anderdeels echter kan men van een Sarten-type spreken, eene herhaalde
vermenging van Tadsjiken, Oesbeken en Kirghiezen; bij dit Sarten-type
komen de Arische kenmerken meer op den voorgrond dan die der Turko-
Mongolen.
3. De Oesbeken bewonen meest den linker oever van den Syr-Daija,
met uitzondering van de Kiptsjaken, die aan den rechter oever wonen,
't Zijn deels half-nomaden, deels stedelingen en gezeten landbouwers; zij
vormen een der belangrijkste factoren der bevolking van Ferghanah.
4. De Kara-Kalpaken lijken veel op de Oesbeken; 't is een vreedzaam
volkje op den linker oever van den Syr-Darja.