Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
278
De opgaven omtrent hun aantal loopen zeer uiteen. Ze wonen in afzon-
derlijke dorpen, gescheiden van de Japanneezen, die met verachting op
hen neerzien. Die verachting blijkt reeds uit den naam, dien ze hun geven ;
deze toch luidt Jebis, wat zooveel als barbaar, wilde, beteekent,
terwijl de naam Aino de beteekenis heeft van mensch. De schadelijke
invloed, dien de Japansche beschaving — en onderdrukking —■ op de
Aino's uitoefent, blijkt duidelijk hieruit, dat er een groot onderscheid
tusschen de Aino's op de west- en die op de oostkust van Jeso bestaat:
terwijl de eersten een ellendigen indruk maken en door de Japanneezen
als lijfeigenen worden behandeld, zijn de laatsten een opgewekt, vrij volk
van jagers, visschers en herders, dat in den zomer zich naar het binnenste
des eilands begeeft.
De Aino's zijn klein, hoogstens middelmatig van grootte; ze zijn tame-
lijk gezet en breed geschouderd. De haargroei is sterk ontwikkeld; het haar
is zwart, eenigszins wolachtig, maar toch borstelig. Deze welige haargroei
onderscheidt de Aino's sterk van de overige Oostaziaten. De berichten
omtrent geheel behaarde Aino's zijn echter sterk overdreven; mannen met
behaarde borst, armen en beenen vindt men bij hen weinig meer dan
onder de Kauskasiers. De mannen dragen een dichten baard. De huidkleur
is bijna koperkleurig, bij sommigen echter meer blank en een weinig ge-
bruind. De lippen zijn eenigszins omgekruld. De vorm van het hoofd heeft
volstrekt geene overeenkomst met dien der Japanneezen en Chineezen; de
uitstekende jukbeenderen en de scheeve oogstand worden bij de Aino's
gemist. De zware wenkbrauwen zijn boven den neus vaak samengegroeid.
De vrouwen laten zich op den bovenlip doorgaans eene figuur tatoeêeren
in den vorm van een' knevel. Zij dragen groote metalen oorringen, die
uit Japan worden ingevoerd. Ze zijn leelijk en worden vroeg oud, door-
dien ze van jongsaf een moeilijk leven hebben. De kleeding van beide
seksen bestaat uit een lang kleed van dierenhuiden. Hoewel de Aino's voor
minder onzindelijk gelden dan de Kamtsjadalen, klagen de reizigers die
hen bezochten, toch over vuilheid, die daar de oorzaak van vele huid-
ziekten is. Als wapenen bedienen zij zich van bogen, vergiftige pijlen en
lontgeweren. De nijverheid staat bij hen op lagen trap. Wel zijn eenige
Boedhistische ideeën bij hen doorgedrongen, maar toch hebben zij zich niet
boven den fetig-dienst weten te verheffen. Merkwaardig is het, dat ook de
Aino's, evenals vele volken van de noordpoolgewesten, den beer vereeren.
Als de Aino's van Jeso en Koenasjir eenmaal in het jaar aan de Japan-
neezen hunne schatting in pelzen en gedroogde visschen betalen, komen
eenigen van hen in de steden Matsmai en Hakodadi, om daar de pelzen
en visschen, die zij nog over hebben, tegen rijst en jachtgereedschappen
te ruilen. De Aino's op Jeso's westkust worden door de Japanneezen ook
gebruikt als visschers en jagers en tot het verzamelen van algen. Aan land-
bouw (gierst, aardappelen en knollen) wordt door dit volk zeer weinig gedaan.