Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
238
mededinging verheven, dergehjke instellingen en bestuur als Venetië bezat,
was de naam van Noordsch Venetië reeds uitgesproken. In de i6e eeuw,
toen de grootheid van Amsterdam nog in hare geboorte was, kent Guic-
ciardini haar dien reeds toe. Eenige jaren later gebruikt Barlaeus dien in
zijne beschrijving van den intocht van Maria de Medicis, en de geleerde
Fokkens wijdt in zijne „Beschrijvingh der wijdt-vermaarde Koop-stadt
Amstelredam" eenige bladzijden aan eene vergelijking tusschen Amsterdam
en Venetië, terwijl hij, zonderling genoeg, de koningin der Adriatische
zee nooit had gezien.
DRIE MEREN.
LAGO Dl COMO.
Langs Cadenabbia leidt een weg, die onder groene wijngaardranken en
een helderblauwen hemel zich voortslingert, slechts nu en dan den reizi-
gers een' blik op het landschap gunnende, tot dezen plotseling een prachtig
vergezicht wordt geopend en hij de bergen zich ziet spiegelen in den
wazigen vloed. „Via del Paradiso" noemden de bewoners dezen weg, en
onophoudelijk klinkt die welluidende naam ons in de ooren, zoo lang we
hier vertoeven; want niet alleen die weg, neen, het gansche heerlijke
gebied der drie meren is een paradijs. Hier heeft de natuur haar meester-
stuk gewrocht. Aan den hemel zien we enkele starren helderder schitteren
dan al de overige, en zoo ook overtreffen deze drie sterren in glans al de
andere aan Italiës prachtigen hemel.
Wat doet ons de aangename lucht van het meer goed, nu we de steden
met haar gewoel hebben verlaten! We wandelen van het dorpje langs een
steilen weg naar den oever. De boer die ons met zijn muildier voorbijgaat,
de kinderen die over den muur aan den kant van den hollen wegkijken, —
alles lacht ons tegen met groote, donkere oogen; zelfs de bedelaar ter
zijde van den weg is ingeslapen in het milde voorjaarszonnetje en droomt
zich een koning.
Met de welriekendste geuren is de lucht vervuld; de wind voert den
adem van het koeltje ons toe, dat hij in zijne vlucht van de golven heeft
geroofd; we hooren reeds het ruischen der branding tusschen de rotsen.
O, hoe ruim is het ons, daarbuiten zoowel als daarbinnen, nu de gansche
natuur ons toejubelt: Via del Paradiso!
Deze indrukken ontvangt de reiziger, die te voet langs de drie meren
dwaalt; maar ook hun die den grooten weg volgen, biedt de voortdurende