Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
benedenwater stroomt echter verder naar den voet des dijks dan bij wind-
stilte het geval zou wezen. Begint nu de eb, bij steeds aanhoudenden
afiandingen wind, dan wordt het bovenwater snel afgevoerd, maar het
afebbende b^edenwater wordt in zijne afloopende beweging bemoeilijkt
door den beaSIënstroom, die door den wind veroorzaakt is. 't Gevolg is
natuurlijk, dat het slibhoudende water meer tot stilstand komt dan bij
windstilte 't geval zou zijn en dat er dus slib wordt afgezet.
Winden die op de kust in waaien, hebben eene tegengestelde werking:
ze bevorderen de afebbing van het slibrijke benedenwater en veroorzaken
menigmaal afslag.
Zoodra de streek tot waar de dagelijksche vloeden reiken, eenigszins
door aanslijking is opgehoogd, slaan er planten op aan. De aanwezigheid
van deze planten, zelve een gevolg van de aanslibbing, bevordert die
op hare beurt. De eerste planten die er zich vertoonen, zijn wieren
en conferven; daarop volgt — van de zee naar de kust gaande, —
de gelede zeekraal (Salicornia herbacea), ook krabbestruik, krabbekruid
of krabbekwaad geheeten. Bij tamelijk veel klei houdend slib, zooals op
de aanslibbingen van den Dollard, wordt deze plant opgevolgd door de
zulte, het starrekruid of de zoutwateraster (Aster tripolium); op de wadden
komt zij bijna niet voor. Op de krabbestruik-strook volgt op de wadden
het zandkruid met kweldergras (Poa maritima), weegbreeën, ganzevoet,
enz. Deze planten groeien als 't ware bij hoopjes. Er vormen zich n.1.
langzamerhand groene plekken, die meestal droog liggen, door nog kale
of slechts met zeekraal bezette plaatsen afgewisseld, totdat men eindelijk
de kwelders of de geheel met planten, vooral met grassen begroeide strook
aan den dijk ontmoet. Tusschen de strook der groene plekken en de eigen-
lijke kwelder treft men op de wadden op vele plaatsen een' schoorwal aan.
Alle genoemde planten bevorderen meer of minder de aanslibbing.
Vooreerst bieden zij eenigen tegenstand aan het afebbende zoowel als aan
het toestroomende water en dragen daardoor tot de bezinking van de slib
bij; bovendien houden de wortels de aangespoelde aarde bijeen en be-
moeilijken dus het wegspoelen.
Hoe droger de aangespoelde grond ligt, des te minder kans loopt hij
bij een volgenden vloed weer te worden weggevoerd. Daarom wordt
op sommige plaatsen, zoodra zich zeekraal en gras op den bodem
vertoont, de spade in den grond gestoken, om greppels en slooten te
graven, die meer of min loodrecht op de kust moeten staan, en onderling
door dwarsgreppels worden verbonden. Hierdoor worden de aangeslikte
landen droger gemaakt; want het water verzamelt zich bij afloopende eb
in de greppels. Deze worden bovendien al spoedig met slik gevuld. Jaar-
lijks worden sommige ervan weer uitgegraven; de uitgegraven aarde wordt
door den een langs de slooten tot dijkjes opgehoopt, terwijl die uit de
greppels over de kwelder wordt verdeeld; de ander brengt de aarde, als
zij van goede kwaliteit is, over zijne landerijen binnen den dijk.
Zoo werkt de mensch de natuur in de hand om de aanslibbing te bevorderen.