Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
189
zijn gastvrij, vrijheidlievend en vasthoudend aan hunne meening. Wel is
de landbouw in IJsland niet geheel onmogelijk, maar de oogst is zoo on-
zeker, dat het duurder is koren te verbouwen dan het te koopen. Voor
weideland en veeteelt is het eiland daarentegen zeer geschikt. Bij iedere
boerderij ligt een met steenen omzet stuk grasland. Van 't midden van
Juli tot September duurt de hooioogst, en dan gaat alles wat kan naar
het binnenland, om het gras op de hoogvlakten te maaien. De west- en
zuidkusten zijn vischrijk, zoodat na de veeteelt, de vischvangst de belang-
rijkste bezigheid der IJslanders is. Het verzamelen van eiderdons mag in
de derde plaats worden genoemd. De industrie is op IJsland al zeer gering;
zij beperkt zich tot de bewerking van wol; van fabrieken is natuurlijk geen
sprake. Handwerkers zijn er bijna niet: ieder is zijn eigen handwerker,
zoodat dan ook bij iedere boerderij eene smidse behoort, om ten minste
de paarden te kunnen beslaan. De handel, die vóór 1874 een drukkend
monopolie van Denemarken was, is nu vrij. Uitgevoerd worden droge
visch, traan, gezouten vleesch en vet, ruwe en bewerkte wol, lammeren- ,
schapen- en geitenhuiden, veeren en vogels. Ingevoerd werden koren,
brandewijn, koloniale waren, timmerhout, ijzer, zout etc.
Onder de Germanen zijn zeker geen onzindelijker menschen dan de IJs-
landers; wasschen, kammen en baden zijn verrichtingen die weinig in
hun' smaak vallen; vuilheid behoort dus ook tot de kenmerken der
IJslanders.
De woningen liggen meestal verstrooid. De wanden zijn van steen en
graszoden; het dak bestaat ook uit graszoden; hout wordt zoo weinig
mogelijk gebruikt. In den regel bestaat eene boerderij uit verschillende
gebouwen, waarvan ieder één vertrek uitmaakt. In het woonvertrek is geen
schoorsteen, zoodat het er allesbehalve aangenaam ruikt, te meer nog,
daar zoowel turf als gedroogde schapen- en koemest worden gestookt. In
de vlakten en in de handelsplaatsen waar drijfhout aans]3oelt, zijn de hui-
zen beter ingericht.
't Verschil in stand is op IJsland heel gering: het afnemen der welvaart
sedert de ontdekking des lands deed het grootendeels verdwijnen; de hoo-
gere klassen zijn verarmd. Toch kan men nog eenige elementen in de be-
volking onderscheiden. Het eerste zijn de geestelijkheid en de ambtenaren,
het tweede de kooplieden en het derde de „thómthuusmenn", de menschen
die geene koe bezitten. De talrijke armen, welker onderhoud de gemeente
moeilijk valt, vormen den vierden stand. De kooplieden zijn niet zoozeer
ontwikkeld en fijn beschaafd, maar spelen eene rol in de IJslandsche maat-
schappij door hun' rijkdom; de meesten zijn Denen, maar hun getal neemt
af, daar zich vereenigingen hebben gevormd, die met de Deensche koop-
lieden concurreeren. Men verwacht van het verdwijnen dezer laatste veel
voordeel, daar het IJslandsche geld dan niet meer naar Kopenhagen zal,
gaan, maar in 't land zelf zal blijven. Men meet op IJsland iemands wel-
gesteldheid en aanzien af naar het aantal koeien dat hij bezit. De „thómt-
huusmenn" zijn meest visschers. De „sy.slumann", een ambtenaar, is als