Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
kleine bocht Vaag en ontstond, die nog tegenwoordig de haven van
Bergen is. De haven ligt vol zeil- en stoomschepen van alle grootte. Aan
de strandbriggen liggen vooral de breede, volgeladen Nordlandsche
jachten met den hoogen voorsteven, waarvan de kiel buitendien naar voren
in een meer dan manshoogen golfbreker uitloopt; denzelfden vorm van
kiel en steven merkt men ook op bij de Nordlandsche roeibooten, en
daardoor hebben die schepen zulk een ouderwetsch voorkomen, dat men
onwillekeurig aan de oude Drakenschepen denkt, waarvan de Frithjof-sage
spreekt. Buitendien liggen en komen hier honderden van visschersbooten
en sloepen, zoodat er eene eeuwigdurende drukte op de breede watervlakte
heerscht. Deze watervlakte wordt aan de linkerzijde door de dicht en on-
regelmatig gebouwde stad begrensd. Vlak aan het water staan lange rijen
pakhuizen, die zoo voordeelig gelegen zijn, dat de schepen en de booten
onmiddellijk voor de deuren kunnen aanleggen. De levendigste straat der
stad loopt wel evenwijdig met het water, maar toch niet dicht er bij;
ze is aan weerszijden met huizen voorzien, welker benedenverdieping bijna
overal tot winkels is ingericht. Rechts van ons zien we eene enge, maar
zeer levendige straat, aan welker eene zijde eene lange rij witte houten
huizen staat, alle kantoren en pakhuizen. Voor ieder daarvan is eene over-
dekte brug tot boven 't water vooruit gebouwd, en de enge doorgang is
met hoopen stokvisch en haringtonnen bezet, zoodat men er nauwelijks
door kan komen.
Na dezen blik op de haven stippen we enkele andere belangrijke zaken
aan. De smaakvol gebouwde beurs wordt zeer druk bezocht; tusschen 12
en I verzamelen zich daar 5 a 600 menschen, die er komen om zaken te
doen en nieuws te hooren. Zoowel de millionair als de arme marskramer,
de corpulente groothandelaar in haring zoowel als de schrale klerk van den
dagbladschrijver, — allen komen hier het nieuwste nieuws vernemen.
Maar wat is dat voor een gegons, gelach en geschreeuw daar ginds op
de vischmarkt? We naderen het reeds. Verwacht geene groote vischhal;
alles is hier zeer primitief. Eene gewone landingsplaats, maar met eene
ijzeren leuning voorzien, — dat is alles. Daar bij liggen de visschersbooten,
van waar de phlegmatieke strile, zoo wordt hier de visscher genoemd,
zijne klanten, meest vrouwen en dienstmeisjes, bedient, die bij de leuning
staan. Hier is het gedrang zoo groot, dat het moeilijk gaat, dicht bij de
booten te komen. Is de koopgrage dienstmeid tot bij de leuning gekomen,
dan is de koop echter nog lang niet geklonken. Zes, tien, twintig meisjes
roepen te gelijk den visscher aan en ieder wjst op den visch, dien ze
hebben wil. Nu begint het bieden. De visscher laat ze schreeuwen; hij
schijnt geen enkel bod te hooren, geen enkel scheldwoord ook, ofschoon
de drukke meisjes er niet karig mee zijn. Hij schijnt het zelfs niet gewaar
te worden, dat ze zijn' zuidwester gevoelige duwen met de paraplu toe-
dienen. De meisjes bieden en schelden meer, en hoe meer ze bieden en
schelden, des te harder schreeuwen ze. De visscher blijft ondertusschen
doof voor alles, tot hij een bod hoort, dat hem lijkt. Hij geeft den visch