Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
179
DE NOORWEEGSCHE STEDEN EN DORPEN.
Daar de oppervlakte van Noorwegen bijna geheel uit weinig vruchtbare
lioogvlakten bestaat, de wanden der dalen buitengewoon steil, soms zelfs
loodrecht en de dalen zelve zeer smal, eenigszins spleetvormig zijn, kun-
nen er bijna geene eigenlijke dorpen ontstaan. De woningen staan dus op
het platteland verspreid. Alleen op enkele plaatsen aan de zee of aan het
einde van diep insnijdende tjorden, waar men ruimte heeft kunnen vinden
om eenigszins gemakkelijk ingerichte woningen, beschut tegen sneeuwvallen
en bergstortingen, te bouwen, staan de huizen dichter bij elkaar. Meestal
woont ieder landbouwer op zijne hofstede te midden van zijne landerijen.
Zelfs de boerenarbeiders, „husmaend" (mannen van het huis) geheeten,
hebben, — wanneer ze niet bij den landbouwer te huis zijn, wat met de
ongehuwden doorgaans het geval is, — gewoonlijk een stukje grond voor
hun eigen gebruik, waarop een huis staat, dat hun soms in eigendom toe-
behoort.
De huizen zijn haast alle van hout, groot in aantal en ruim gebouwd
in de woudrijke streken, maar kleiner, waar weinig bosschen zijn en bij
de „husmaend". Alleen in de streken waar de wouden meest zijn uitge-
roeid , vindt men stallen van steen, van lei of van onbehouwen, opeenge-
stapelde steenen, waartusschen veenplaggen zijn gestoken. Altijd is echter
de bovenverdieping daarop, de bergplaats van hooi, van hout gemaakt.
De dakbedekking is iri de vlakke streken algemeen van steen, zoowel
van pannen als van lei, wanneer men de laatste althans in den omtrek
vindt. In de bergstreken en ook in den omtrek van sommige fjorden is ze
meestal van lei, en waar men dit niet vindt, gebruikt men graszoden,
waaronder berkenschors is gelegd. Is het huis aan den wind blootgesteld,
dan worden de zoden met groote steenen belegd.
Het getal gebouwen, dat aan één' landbouwer behoort, is dikwijls zeer
groot, doordien men het gevaar van bij een' brand alles te verliezen,
heeft zoeken te vermijden. De overvloed van hout en de gemakkelijkheid
om het van oudsher te verkrijgen heeft deze gewoonte gesteund. Gewoon-
lijk is van alle gebouwen en gebouwtjes slechts één tot gemeenschappelijk
gebruik bestemd.
Bij de Noorweegsche landbouwers bestaat het gebruik, dat wanneer de
oudste zoon, of wanneer er geen zonen zijn, de oudste dochter, trouwt,
aan de nieuwe huishouding een huis met bijbehoorende gebouwen en land
wordt afgestaan. Daardoor wordt het aantal bij elkander behoorende huizen
natuurlijk nog grooter.
12*