Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
176
Als men bedenkt, dat de Norlandsche rivieren uit meren te voorschijn
komen, die zeer hoog liggen, (de bron van de Tornea-elf b.v. ligt 1270'
boven de zee) en dat zij door een bergachtig terrein stroomen, dan zal
men licht begrijpen, dat de dikwijls voorkomende watervallen buitengewoon
groot en trotsch zijn. Ze zijn voor de scheepvaart, en menigmaal ook voor
de zalmen, onoverkomelijke hinderpalen, maar aan den anderen kant be-
hooren ze tot de grootste merkwaardigheden van Norland. Ritdalforsen in
JemÜand, die van de Noorweegsche bergen komt, de Storbo-val en Tänn-
forsen, beide in dezelfde provincie, de Kaitom-val en de Niommelsaskas,
beide in Lapland, zijn de meest bekende. De laatstgenoemde val in het
Lulea-dal is de grootste van Europa. Het water valt daar van eene hoogte
van 400' ter breedte van 3500'. Het ruischen der kolossale watermassa
hoort men reeds op mijlen afstand. In den winter veranderen de uit de
diepte opstijgende dampen in ijs, en boven het bovenste gedeelte van den
waterval vormt zich dan een ijsgewelf Een andere Laplandsche waterval,
Lina-Link en Fällforsen in het Umea-dal zijn haast even beroemd als de
Niommelsaskas. We hebben slechts eenige van de grootste genoemd. On-
middellijk naast de meest woeste natuur vindt men op menige plaats in
lapland aangename, bijna vriendelijke streken. Zeer woest is b.v. de rots-
streek van Qwiktjock, of het door eeuwige sneeuw en ijs omgeven meer
Saggatjaur, terwijl de reizigers Storbacken op een schiereiland in de Lulea-
elf prijzen als een klein paradijs.
Norland is in vele opzichten een rijk land, een land met eene groote
toekomst. Het heeft in zijn' bodem onuitputtelijke bronnen van welvaart.
De bezigheden die totnogtoe in Norland werden uitgeoefend, jacht, zalm-
visscherij, vlasbouw, linnenweverij — waaraan hier zeer algemeen, bijna
in ieder huis, wordt gedaan —, veeteelt, kaas- en boterbereiding, zullen
in 't vervolg blijken slechts onbeteekenende voordeelen te hebben opge-
leverd, wanneer de zaken op de rechte wijze worden aangevat. Wat Nor-
land tot een niet te versmaden deel van "t koninkrijk maakt, dat zijn zijne
groote wouden, zijne rijke ertsen en zijn vruchtbare grond. Langzamerhand
verdringt reeds de landbouw de veel te primitieve veeteelt, daar de over-
tuiging veld begint te winnen, dat de schadelijke invloeden van het klimaat,
althans ten deele, kunnen worden ontweken, 't Is waar: Norland gaat slechts
langzaam vooruit, maar we moeten daarbij in aanmerking nemen, dat
Norland geen klein stuk land is, maar met zijne 4774 □ G. M. eene
oppervlakte beslaat als menig koninkrijk. Het Lulea-gebied is zoo groot als'
Wurtemberg, het Umea-gebied als Zwitserland. Met zulk een groot land komt
men niet zoo spoedig vooruit. Met bijna alles moet van grondsaf worden
begonnen om de sluimerende krachten te wekken, het ruwe materiaal te
bearbeiden, verkeerswegen te scheppen, door eene samenhangende rij van
meren, elfen en kanalen en door spoorwegen het binnenland met de kust
in gemeenschap te stellen, nieuwe stelsels voor land- en boschbouw uit te
denken en toe te passen, al die verstrooid liggende bergen te dwingen
hmine schatkamers te openen. Dit alles is wel mogelijk, maar er zijn