Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
173
hazard te spelen of met andere nevenbedoelingen. Alleen des Zondags is
de bevolking voltallig; in de week bestaat ze bijna geheel uit vrouwen en
kinderen. Als de vrouw of de kinderen van eene .Stokholmsche familie be-
hoefte hebben aan zeelucht of zoutwaterbaden, dan zendt de man ze naar
Dalerö; maar hij zelf gaat niet: de tijd daartoe ontbreekt hem. Des Zater-
dagsavonds of des Zondagsmorgens komt hij zijne familie buiten bezoeken
en des Maandagsmorgens heeft de stoomboot hem reeds weder naar de stad
teruggebracht.
Mis.schien vraagt de lezer, waarmede de goede Stokholmsche dames den
tijd te Dalerö doorbrengen. Zijn ze werkelijk ziek? O ja; de eene of andere
lijdt aan zwakke zenuwen, maar 't is gelukkig niet erg. Welnu, wat doen
zij dan? We verzoeken excuus: we weten niet recht, wat we op deze
vraag moeten antwoorden; maar als we zoo vrij mochten zijn te zeggen
wat we denken, dan zouden we zeggen: ze doen eigenlijk niets! Ze vege-
teeren: ze baden in de Oostzee, ze wandelen in het nabijzijnde bosch oj)
Klein-Dalerö of op den weg, of ze houden zich bezig met het balspel in
het „Schweizerthal"; zij zitten op de rotsen in 't zonne^e als de meeuwen,
ze drinken met volle teugen de gezonde lucht, zij zoeken verstrooiing in
zang en dans. En als de zomer ten einde spoedt, dan gaan deze bemin-
nelijke trekvogels weer naar Stokholm, om druk deel te nemen aan de
winter-amusementen der hoofdstad en menigen onberaden aanval op de
gezondheid te doen. —
Met de stoomboot keeren \vij terug naar Skuru, van waar we een voet-
reisje maken over de bergen naar Nacka, een allerbekoorlijkst gelegen plaatsje.
De terugvaart naar Stokholm was zoo schoon, dat we bijna geen woord
spraken, maar stom van bewondering alles aanschouwden. De dalende zon
verlichtte de hooge kusten zoo tooverachtig, dat men alle gloeiende en
vlammende kleuren der pyrotechniek op zijn palet moest hebben, om het
landschap te kunnen schilderen.
Het naaldhout was heerlijk rozenrood getint; de oude bemoste, grijze
rotsen wisselden hare kleuren af met de prachtigste violette schakeeringen,
de witte villa's werden goudgeel en alle vensters stonden in vlammen. De
zee was glad als een spiegel, en .slechts het kielwater der vele booten brak
het elfene van dien spiegel en mengde daarin alle kleuren van de avond-
lucht. Het was, alsof een sprank van de ,,gouden" eeuw dit tooneel ver-
lichtte. De hemel en de zee waren van goud, de bergen met goud bestrooid.
Alles wat verlicht was, kreeg een gouden gloed. Op iedere bergspits haast
zagen wij een gezelschap. Overal klonk gezang, gelach, gejubel door't stille
van den avond. Als we eene boot tegenkwamen, dan klonk ons een krach-
tig „hoera" te gemoet. De mei.sjes zwaaiden ha!re zakdoeken, de mannen
hunne hoeden; men dronk onze gezondheid ■— waarom? Omdat men op-
gewekt, vriendelijk, broederlijk jegens de geheele wereld was gestemd, en
omdat men wist, dat wij een deel van deze wereld uitmaakten, 't Was
eene stemming als in de gouden eeuw.