Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
a
r
i'i.
158
heilig gebruik; maar de familie van den vermoorde kan met den moorde-
naar eene overeenkomst sluiten tot eene soort van schadeloosstelling. Als
het den moordenaar gelukt, een kind van den vermoorde te rooven en
het op te voeden, dan is hij gevrijwaard voor alle wraak en straf. Als een
edele een' boer doodt, moet hij voor hem negen slaven geven. Diefstal is bij
de Tsjerkessen niet strafbaar, als de dief n.l. niet op de daad betrapt wordt.
De grootste straf voor den dief is, dat hij het gestolene terug moet geven;
daarvoor schaamt hij zich. Behendige diefstal is bij de Tsjerkessen een
eerlijk en eervol werk, omdat het een bewijs van moed is. De jonge man
rooft zijne bruid, — natuurlijk met hare toestemming; — maar toch moet
aan de ouders eene vooraf bepaalde som worden betaald. De vrouwenroof
is dus eene ceremonie geworden, eene soort van spel, en de vervolgers
schieten reeds sedert lang niet meer met kogels op den roover. Grijsaards
staan in hooge achting, vrouwen echter niet: het is eene beleediging voor
den man, als men hem naar de gezondheid zijner vrouw vraagt. Om de
knapen niet te vertroetelen, worden ze bij vreemden opgevoed, en de
onderwijzer zoekt van zijn' leerling een gehard soldaat en een loozen,
stouten dief te maken. Als deze opvoeding voltooid is, keert de jongeling
naar het huis zijner ouders terug. Het geloof der Tsjerkessen is een meng-
sel van het Christendom, dat bij hen in de 5e eeuw werd ingevoerd, het
Islamisme en het oude heidendom.
De Tsjetsjenzen beweren, dat zij van de Kisten afstammen, maar onder-
scheiden zich in vele opzichten van hen. Want terwijl het karakter der laat-
sten zacht en goedhartig is, zijn gene ruw, koppig en woest. Ook de Tsjet-
sjenzen zijn groot, slank en schoon. Hunne kleeding vertoont overeenkomst
met die der Tsjerkessen en bestaat uit een opperkleed van zwart laken
met smalle zilveren tressen en eene patroontasch op de borst. De mouwen
zijn open en worden over de schouders geworpen. Het kamizool bestaat
uit eene wollen of zijden stof van schreeuwende kleuren, uit een wijden,
tweekleurigen broek, die bij de kuiten zeer nauw sluit. De voeten steken
in laarzen, het lichaam wordt omsloten door een leeren gordel, die rijk
met gedreven zilver- of staalplaatjes is versierd. Aan den gordel hangen
rechts de kruidhoorn, links de lange dolk, terwijl aan de achterzijde twee
pistolen zijn gestoken. Op zijde hangt de sabel. Het hoofd wordt door
eene groote papacha (gevoerde muts) van schaapsvel bedekt, en als het
weder ruw is, wordt over de kleeding eene boerka (korte mantel) geworpen.
De kleeding der vrouwen, .vooral van de rijken, is even origineel als die
der mannen. De ärmeren vergenoegen zich met een hemd, dat om de
middel door een' gordel wordt samen gehouden; een zijden doek is om
het hoofd gewonden en de voeten steken in laarzen. Eene boerka moet
ook hen tegen ruw weer beschermen.
Het zou te ver voeren, als wij ook de overige volksstammen, was het
dan ook maar kort, wilden bespreken. We moeten ons daarom vergenoegen
ten slotte nog de Armeniërs te noemen, door de Turken met den naam
Boktsjy, d. i. dreketers, betiteld, omdat een hunner hoofdkenmerken is