Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
geene en de zuidelijke helft slechts vier goede havens heeft, waaronder Poti.
Zooals reeds werd opgemerkt, stroomen van de noordhelling van den
Kaukasus de Koeban naar de Zwarte, de Terek naar de Kaspische zee. Ten
zuiden van 't gebergte vinden we den Koera, die oost- en den Rion, die
westwaarts stroomt. Slechts een klein getal van de menigte stroompjes,
die van den Kaukasus komen, is bevaarbaar; de meesten worden des
zomers onbeteekenende beken, terwijl ze als echte bergstroomengedurende
een hevigen regen plotseling aanzwellen en buiten hunne oevers treden.
In de vlakten, vooral in de Kaukasische steppe, bestaan reeds lang
eenige wegen van de Kaspische naar de Zwarte zee: hier had de mensch
geene natuurlijke hinderpalen uit den weg te ruimen om zich een' weg te
banen. Ook in de met woud bedekte voorbergen waren de hinderpalen
niet al te groot; want hier behoefde men slechts boomen om te houwen,
rotsen te doen springen, klooven te vullen en bruggen te bouwen. Maar
in het hooggebergte, op den met sneeuw bedekten hoofdkam waren de
moeilijkheden veel grooter, daar de natuur er geheel anders is. Hier dien-
den den menschen sedert overoude tijden klooven en droge rivierbeddingen
als eenige wegen, en deze zijn des winters met ijs en sneeuwbergen be-
dekt, in de lente in schuimende stortbeken veranderd, en als het water
verdwenen is, zijn ze door de reusachtige rotsblokken, die het water heeft
meegevoerd, vensperd. Daarom heeft men totnogtoe slechts twee wegen
over den hoofdkam aangelegd; de eene leidt van de vesting Wladikawkas
{= heer van Kaukasus) langs den Terek en verder door den Darial-pas;
de tweede voert door den pas van Narsk van Achrov naar Noecka. Wie
deze twee wegen beheerscht, is heer van Kaukasie en de Kaukasiërs.
Beschouwen we nu de bewoners van Kaukasië. Een der voornaamste
stammen is, zooals reeds werd opgemerkt, de Groesische, misschien de
schoonste menschen der aarde. De mannen zijn groot en sterk gebouwd,
de vrouwen slank en schoon gevormd; men kan zich geen edeler trekken,
geen schoonere oogen denken dan die van eene Groesische. Dat is te zeg-
gen : zoolang men haar van verre ziet. Komt men naderbij, dan verliest
die schoonheid, doordien er geen leven in de groote oogen schittert, geen
gevoel uit het wonderschoone gelaat spreekt. De voeten der Groesische
vrouwen zijn klein en worden omsloten door nette pantoffels; ze verdwij-
nen echter haast onder den wijden, geplooiden bij den enkel vastgebonden
broek. Het hoofdsieraad der vrouwen heeft den vorm van een' diadeem.
Haar gang heeft iets statigs en vorstelijks.
De kleeding der mannen is heel schilderachtig; zij bestaat uit eene hooge
zwarte muts van schaaps- of lamsvel (kolpak) lange tot aan den knie rei-
kende lichtkleurige laarzen, wijden zwarten broek, waarvan de vouwen
de laarzen ten deele bedekken, een zijden kamizool en een wijd overkleed
van laken of fluweel dat met gouden of zilveren tressen is bezet. De mou-
wen zijn open en worden over den schouder geworpen. Een Tsjerkessische
sabel, een lange dolk en een paar pistolen zijn noodzakelijke bestanddeelen
van de kleeding. De Groesiërs zijn zeer dapper en trotsch op hunne eer;