Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
153
die hunne bedreigde akkers te hulp snelden. Zoo vol waren deze wagens
gepropt met menschen, dat de houten assen bogen. Gelukkig stond het
meeste koren reeds in schoven; groenten verbouwt men in de steppen
weinig, veevoeder in 't geheel niet; vlas wordt door de sprinkhanen niet
aangetast. Zoo bleef er dus over de gierst, die nog groen was, of liever
was geweest; want overal was zij opgegeten. Daar echter de gierst hier
meest voor eigen gebruik wordt verbouwd en eene hoofdschotel bij het
landvolk is, was de schade groot en treurig genoeg.
„Ze zijn dit jaar niet gevaarlijk", zei een oude boer, dien mijn reisge-
noot ondenveg aansprak, „ze rusten hier slechts uit."
Maar weinige oogenblikken later kwam een ruiter aandraven; het was
de intendant van een groot grondbezitter. „Kwade tijding", riep hij mijn'
vriend toe; „de zwerm is gisteren bij ons geweest; twee derde van ons
koren, dat nog op het veld stond, is verloren; wat niet opgevreten is, is
geknikt en gebroken; ik zoek arbeiders, om te bergen wat nog de moeite
waard is."
Al hooger steeg de wolk, en steeds donkerder werd zij. De lucht was
vervuld van gekras en geschreeuw: duizenden van roofvogels, kraaien en
raven zweefden over de velden en vlogen begeerig den donkeren nevel te
gemoet. Het gonzen rondom ons nam sterk toe; de lucht scheen met mil-
lioenen punten gestippeld, en het duizelde mij door die onophoudelijke en
snelle beweging, zoodat ik de oogen moest sluiten.
„Dat is ontzettend," zie ik; „nu zijn we zeker midden in den zwerm ?"
„Nog niet," antwoordde mijn vriend. „Zoo lang wij nog den blauwen
hemel boven ons kunnen zien, heeft het niets te beteekenen." — Ik glim-
lachte ongeloovig. «
De weg boog en daalde. Boomgroepen vertoonden zich aan ons oog —
eene zeldzaamheid in de steppe — en in de diepte schitterden ons de
golven van den Ingoeletz, tegen, d. i. kleine Ingoel, eene rivier, die niet
ver van Cherson in den Dnjepr valt. De grijze nevel rondom ons werd
dichter; onophoudelijk botsten sprinkhanen in hunne vlucht tegen de
.raampjes van den wagen aan. Plotseling rolde de wagen bij eene vrij steile
helling neer. Rechts verhief zich eene steile helling, op welker top eene
arme boerenwoning stond; links stuwde de rivier heur water door biezen,
riet en wilgen voort; onmiddellijk aan haar steilen oever voerde onze weg
naar de houten brug. „Daar is de sprinkhanenzwerm!" riep Ilia, — en in
een oogenblik wordt het donker; onze galoppeerende Tatarenpaardjes wor-
den verschrikt en steigeren; — de wagen wäggelt; — met alle macht zoekt
de postiljon het vierspan staande te houden; de bediende springt van den
bok en vat een der paarden bij den teugel. Vóór ons verheft zich onder
oorverdoovend gegons de enorme zwerm der sprinkhanen, die zich hier in
het dal had neergelaten om uit te rusten. De zon werd werkelijk door de
myriaden van opvliegende insekten verduisterd; het was alsof een grijze
damp uit de aarde opsteeg en zich naar boven toe steeds meer ver-
dichtte, totdat hij eindelijk een' wand vormde, die ondoordringbaar was