Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
daar nog in worden gevonden, zijn de onderste, die de zoogenaamde
magere, kortvlammige kolen leveren. Ter weerszijden van dezen drempel
daalt de kolenbedding en vormt naar het oosten en het westen twee bek-
kens, dat van Luik en dat van Charleroi en Bergen. De diepte dezer
bekkens neemt toe in de richting naar Luik en naar Bergen. In deze
bekkens vindt men de zoogenaamde vette langvlammige kolen, die vooral
door de gasfabrieken worden gebruikt. In het westelijke Henegouwsche
bekken wordt de vette kool alleen in de omstreken van Bergen of Möns
aangetroffen. De dikte der steenkolenlagen wisselt af van '/g tot i M. Ten
Z. van Möns, in de Borinage, vindt men 130 tot 160 lagen, waarvan 'Z,
ongeveer bruikbaar zijn, terwijl de provincie Luik ongeveer 50 bruikbare
lagen bezit. Maar voordat men deze lagen kan bereiken, moet eene dikke
laag van „dood gesteente" worden doorbroken; ten westen van Möns, bij
de Fransche grens, is die laag wel 300 M. dik. Veel gemakkelijker zouden
de Belgische steenkolenmijnen te ontginnen zijn, als ze horizontaal waren
blijven liggen; maar dit gedeelte van Europa heeft groote veranderingen
ondergaan, ten gevolge waarvan talrijke failles of laagverglijdingen voor-
komen, die den bergbouw op vele plaatsen lastig maken.
De opbrengst van de Belgische kolenmijnen bedraagt reeds meer dan zesmaal
zooveel als in 1830; het grootste gedeelte levert het Henegouwsche bekken.
In 1876 bedroeg de opbrengst der gezamenlijke kolenmijnen in België
ongeveer 14^j^ millioen ton, ter waarde van ruim 87 millioen gulden. De
productiekosten bedroegen echter bijna 82 millioen gulden. In 1873, toen
de handel levendiger en de prijs hooger was, beliep de opbrengst bijna
15800000 ton, ter waarde van 170 millioen gulden. Dit groote verschil
in prijs is niet alleen nadeelig voor de mijnbezitters, maar ook noodlottig
voor de bergwerkers, die van jongsaf niets anders hebben geleerd dan
werken in de mijnen. Over 't geheel werkt de mijnbouw in de kolendistricten
geestelijk en lichamelijk zeer nadeelig op de werklieden. In 1877 bestond
het 1/4 deel der werklieden in de Belgische kolenmijnen uit jongens en
meisjes, en velen van deze ongelukkigen waren nog maar 10 jaar oud;
bijna 1/3 van de werklieden boven den grond waren vrouwen en kinderen.
Eene'wet van i Augustus 1878 verbiedt gelukkig het laten werken inden
grond van jongens en meisjes beneden 11 en 13 jaar. De Duitsche kolen-
lagen van het Ruhr-gebied zijn dikker en liggen dichter aan de oppervlakte
dan de Belgische en zijn dus veel goedkooper en gemakkelijker te ontgin-
nen; vandaar dat de kolenmijnbouw in België meer of min gebukt gaat
onder deze concurrentie.
België is tegenwoordig het vijfde kolenland der aarde; het wordt alleen
overtroffen door Engeland, de Vereenigde staten van Noord-Amerika,
Duitschland en Frankrijk. Het laatste land levert echter slechts weinig
meer dan België.
Langen tijd genoot België het groote voordeel, dat in de nabijheid van
de kolenmijnen overvloedig ijzer werd gevonden; doch in de laatste jaren
zijn de ijzermijnen in die streken bijna uitgeput.