Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
131
Op de plaats van den Franschen trein, die ons tot dusverre had ver
voerd, staat nu de Italiaansche. Reeds zijn de lampen aangestoken; nog
eens wordt hier en daar een rad onderzocht, en daar komt de locomotief
aanbruisen, die de eerste zal bijstaan. Een ruk — en we zijn op weg.
We verkeerden allen in eene angstige spanning, die nog grooter werd,
omdat men nergens het doel der algemeene nieuwsgierigheid ontdekte. Want
de ingang van den wereldberoemden tunnel ligt ongeveer 200' hooger dan
het station, en de weg beschrijft twee groote bógen, voor hij de opening
bereikt. Het zijn werkelijk huiveringwekkende bogen; de locomotief rolt
niet verder, maar ze stijgt langzaam, als 't ware voet voor voet, en reeds
zien we heel in de diepte de grijze leien daken van Modane, tot op eens
het plaatsje aan onze voeten ligt. — Een gillend geluid weerklinkt, als de
kreet van een' mensch dien men plotseling in de duisternis stoot; in woeste
slingeringen kruipt de damp langs den grond, — nog een oogenblik sche-
mering, en dan is het zwarte nacht, dan zijn we gevangen.
Wij waren in den tunnel van den Mont Cenis. 't Was wel geen vrees,
die zich van ons meester maakte, maar toch een gevoel, dat nauw daaraan
verwant is; we waren geheel aan de natuurmachten overgeleverd; geen
menschelijke hulp kon hier baten, wanneer ons een ongeluk trof. Iedere
steen in dit gewelf was meester van ons leven, — en de natuur neemt
immers soms wraak.
Men opende de vensters; eene warme, benauwde lucht stroomde naar
binnen; het was niet mogelijk de wanden van den tunnel of den naastbij-
zij nden waggon te zien, als men uit het portier keek, zoo donker was het.
Men zag slechts de rookmassa's langs de verlichte vensters glijden, en er was
iets demonisch in, die wezenlooze, kronkelende gestalten te zien voorbij-
snellen, onophoudelijk door.
De locomotief ratelde vreeselijk; men gevoelde dat zij een' herkules-
arbeid had te verrichten, ^ men hoorde haar steunen. De weg stijgt in den
tunnel dan ook ruim 400', Soms was het haast, alsof de krachten haar be-
gaven; dan kwam er weer een woeste ruk, en het werk begon opnieuw.
Ik keek op mijn horloge; we hadden nog nauwelijks tien minuten in dezen
kerker doorgebracht en alzoo nauwelijks een derde deel van den weg afgelegd.
Weer waren tien minuten verloopen, de lucht werd steeds zwoeler en
benauwder. Wij voelden, dat het hoogste punt bereikt was; want we daal-
den. In vliegende vaart snelde de locomotief voort, als moest zij den ver-
loren tijd inhalen; de kleine stations binnen in den tunnel leken wel flik-
keringen van het weerlicht. Daar staan de wachters met lantarens in de
hand, die hunne aanwezigheid verraden; hen zeiven te zien ware eene
onmogelijkheid.
Onwillekeurig kwam het gevoel bij ons op: als er nu eens eene botsing
of eene ontsporing plaats had! Voor zoover ik vernam, is in den tunnel
tot nog toe geen noemenswaard ongeluk voorgevallen. Alleen hoorde 'ik
spreken van eene botsing van twee treinen op 24 Mei 1873, waarbij ech-
ter geene ongelukken moeten hebben plaats gehad.
9*