Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
rijk naar Italië voert. Hoog boven den pas uit steken woeste bergtoppen,
bijna voortdurend in grijze wolken gehuld, bijna altijd met hooge sneeuw
bedekt: Rocciamelone en la Ronche, en hoe hunne zonderlinge namen
verder mogen luiden. Hunne hoogte bedraagt om de elfduizend voet, die
van 't plateau is zesduizend vijfhonderd.
Reeds kardinaal Bentivoglio, die in 1648 te Venetië zijne gedenkschriften
te boek stelde, noemt den Mont Cenis den koning der Alpen, en inder-
daad —• er ligt iets vorstelijks in dien reusachtigen bouw, in die donkere
trekken, in de grootsche eenzaamheid waarin wij ons bevinden.
Tusschen de rotsen groeit dicht kreupelhout, slechts nu en dan blinkt
er een slanke berk of eene schitterende alpenroos door het donkere groen,
en in de spleten bloeit de welriekende Viola cenisia. Maar zij bloeit daar
ongezien; want geen' mensch ontmoeten wij op onzen tocht. We hooren
alleen het fladderen van het sneeuwhoen en het schrille geluid van den
marmot; we hooren in die stilte, hoe daarboven in de rotsen steenen los-
raken en naar beneden rollen; we zien in de lucht hoog boven ons den
arend zijne kringen beschrijven, maar dat is ook het eenige leven, — al
het andere is dood.
Onmiddellijk aan den weg ligt het kleine, donkere meer, waaruit de
Cenisia ontspringt. Zeven maanden van het jaar is het met dik ijs bedekt,
maar zelfs als de late lente hem ontboeit, als de forel weder naar de
zonnestralen hapt, blijft er iets sombers in zijne trekken, alsof het gevoel
van eeuwige gevangenschap niet ware af te schudden. En toch zijn hier
nog andere gevangenen dan de stomme golven; want op den oostelijken
oever van het meer, midden in deze kale eenzaamheid, staat het kleine
godshuis, dat reeds door de Karolingiërs werd gesticht en dat Bonaparte
vernieuwde, die zich zoo gaarne de erfgenaam van Karei den Grooten
noemde.
Voor duizenden soldaten bouwde hij hier karzernes, en eene huivering
overvalt ons, nu we binnen die uitgestorven muren uitrusten en in onze
verbeelding die lange rijen voorbij laten trekken: moede gardes, beladen
paarden en ratelend geschut. Hier mogen ze nog een uur rusten, voor ze
naar de vlakten van Italië trekken; nog een paar ademhalingen vóór het
waar wordt: Ave Caesar, morituri te saluant. (Gegroet Keizer; zij die
zullen sterven, groeten U.)
Slechts enkele bewoners van armoedige huizen, anders zijn hier geen
menschen buiten de opzichters, die den weg in orde moeten houden. Zes
en twintig huizen zijn op de gevaarlijkste plaatsen van den weg voor hen
gebouwd; zij moeten den verdwaalden huisvesting verkenen, — en zoo
brengen zij hun leven door te midden van eigen beslommeringen en die
van vreemden. Want vreeselijk zijn de stormen die er woeden, als de win-
den van het westen en het oosten elkander hier ontmoeten, zich op elkander
werpende als twee huilende wolven.
Dat is het landschap van den Mont Cenis. Wij hebben beproefd ze in
ruwe trekken te schilderen, die trotsche streek, waar zoo menige groote