Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
laagten en met riet begroeide plassen, en evenals deze al naar het jaarge-
tijde een gezegend land of eene woestijn gelijkt, evenzoo is het leven van
den herder anders naarmate hij runderen of paarden, varkens of schapen
weidt, — anders ook als de lente met groen fluweel de steppe siert en de
kudden in haar overmoed zich nauwelijks laten leiden, als de tropische
zomer door zijn gloeienden adem eene benauwende rust over de velden
uitspreidt, of als de winter, de „duivelsrib", over de vlakte strijkt en eene
sneeuwjacht wervelend daarover veegt.
DEBRECZIN EN DE MAGYAARSCHE STEDEN EN DORPEN.
Hongarije is een land van tegenstellingen, waar men zich ieder oogenblik
verwondert over alles wat er gevonden wordt en bijna nog meer over wat
men er niet aantreft. Wie het geheel Europeesche Pest heeft gezien, zou
in hetzelfde land eene stad als Debreczin (Debretsin) haast voor eene on-
mogelijkheid houden. Debreczin is eene voorname stad in Hongarije;
daar zetelde in 1848 de rijksdag en de regeering. En wat ziet men er nu ?
Hoofdzakelijk lange stukken van de steppe, die men straten noemt, omdat
hier en daar aan weerszijden een huis staat, straten die eenige malen de
breedte van die onzer steden hebben en uren lang zijn. Men zou 't er
voor moeten houden, dat vrouwen en kinders hunne visites te paard
moeten gaan maken. Van grootsche kerken en paleizen, van rijen schoone
huizen is hier geen sprake: zoogenaamde straten en huisjes, een groot
plein, een paar kerken en weder straten en boerenhutten vormen de stad.
De bewoners oefenen ook handel en nijverheid uit: er wonen varkenslagers,
molenaars, zeepzieders, pottenbakkers, kramers en eene menigte voerlieden.
Daarbij komen dan nog eenige groothandelaars in koren, vet, huiden en
soda, eenige dokters, onderwijzers en ambtenaren, en de overige bewoners
onderscheiden zich van de in witte linnenbroeken gekleede boeren alleen
daardoor, dat zij zich allen met voornamen trots burgers van eene voor-
malige koninklijke vrije stad noemen.
Zoo als Debreczin, zoo zijn ook Szegedin, Kecskemet (Ketsjkemet) ,
Vasarhely en alle andere Magyaaf-sche (Madjaarsche) steden. Alleen Pest maakt
eene uitzondering; daar schijnen de Hongaren hun best te hebben gedaan
den vreemdeling zand in de oogen te strooien. In geen enkel land zal
men iets dergelijks vinden, dat n.l. de hoofdstad zich tooit in den dos
van eene moderne stad, terwijl de andere steden zoo blijven, als zij er
voor een paar eeuwen uitzagen, 't Heeft er iets van, alsof in Pest Euro-
peanen woonden en in het overige van het land halfwilden.