Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
t07
De tallooze schapen worden in Zuid-Hongarije bijna uitsluitend oni de wol
gekweekt; aan het vleesch wordt minder waarde gehecht; kaas wordt niet
overal bereid. Het moeilijk te leiden domme wolvee volgt het klokje van
den hamel, nog vaker echter eenige vreedzame ezels, die de herder bij de
kudde voegt, omdat de geiten, die men in Rusland daarvoor gebruikt,
op de poe.sta niet willen tieren. Achter den schaapherder aan slenteren de
sterke wolfshonden , die het schijnbaar beneden hunne waardigheid rekenen, als
er geen gevaar dreigt of geen vreemde nadert, zich om de kudde te be-
kommeren. Is de csikós onder de herders de sanguinist, de joehasz is
juist zijn tegenhanger; hij is de phlegmaticus, de droomer op de poesta,
die, met de pijp in den mond en den wolfshond aan zijne voeten, inen-
lang op zijn' stok leunende werkeloos doorbrengt, omdat hij zich van zijne
pleegkinderen niet mag verwijderen. De andere herders bezoeken hem menig-
maal , om door hem, — buiten den Zigeuner de eenige muzikant der
poesta, — eens opvroolijkende muziek op de herdersfluit of den doedelzak
te hooren, en zich te goed te doen aan melk of wrongel.
Zeldzamer zijn op de poesta de kudden zwjnen; deze worden meer aan
de randen der vlakte in en bij de eikenwouden gevonden. De kan^z ol
varkenshoeder is eene soort van nomade, daar hij zijne dieren des winters
in de moerassige vlakten, des zomers in 't gebergte en in den herfst in de
eikenwouden drijft. Hij staat bijna geheel buiten 't verkeer met de men-
schenwereld en is dientengevolge een ongezellig, woest en roofzuchtig per-
soon , die in zijne smerige kleeding en met zijne scherpe bijl, die te gelijk
zijn speeltuig, zijn staf en zijn wapen is, volstrekt niet geschikt is om
vertrouwen in te boezemen. Toch dient gezegd, dat de zwijnehoeder er in
de laatste jaren op is vooruitgegaan en het woord betyar (= roover) niet
meer geheel als gelijkbeteekenend is te beschouwen met kanasz.
De zon stijgt hooger; de lucht wordt steeds heeter; warme luchtstroomen
srijgen op, stof en dunne grashalmen met zich voerende. Boven alle plan-
ten vloeien en sidderen glinsterende lichtgolven; in de verte begint op
warme, damprijke, zonnige, stille dagen in het heetst van den zomer,
zeldzamer in 't voorjaar en den herfst het délibab (de fata morgana) zijne
bedriegelijke spiegelingen, met nu eens de golvende oppervlakte van een
stroomend water, dan eens de spiegelgladde vlakte van eene plas, dan weer,
maar zeldzamer, hutten en dorpen, kudden en menschen na te bootsen.
Is de omheinde ruimte niet al te ver verwijderd of is er geen water in
de nabijheid, dan worden de kudden naar huis gedreven. De herder die
bij de hut is teruggebleven, heeft ondertusschen de watergoten om de put-
ten volgeschept. De kudden drinken nu met lange teugen, en alle herders
moeten daar bij aanwezig zijn, om het stooten en dringen te voorkomen.
Als de kudden gedrenkt zijn, trekken ze langzaam terug. Op hun gemak
strekken de runderen zich op den bodem uit en beginnen met herkauwen.
Maar weldra stoort de ondragelijke hitte hunne rust. De runderen, de
schapen, soms ook de paarden, dringen samen op een' hoop, om den
gebogen kop in de schaduw van hunne buren te verbergen. Want boomen