Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
t05
omheiming na de andere wordt geopend; knorrend en haastig dringen de
varkens naar buiten, ernstig stappen de langhoornige runderen, snel de
kleine, bewegelijke paarden. Bij iedere kudde paarden rijden een of twee
herders, bij de troepen runderen zijn er meer; traag draven de honden er
naast. Fluitend en zingend loopen de vroolijke herdersjongens mede, die
van hun twaalfde jaar al bij hun' vader blijven, om ver van hun dorp het
herderswerk vroegtijdig te leeren.
De zon is intusschen gloeiend rood opgegaan en straalt eene zee van
licht en warmte uit over de boomlooze vlakte. Plaatsen noch boerenhof-
steden , wouden noch boschjes, bergen noch heuvels belemmeren het uit-
zicht; slechts hier en daar ziet het vorschende oog den langen hefboom
van eene put of de torenspits van een ver verwijderd dorp. Hoewel de
heide in Maart, bedekt als zij was door het water van de Theis en hare
bijrivieren, eene bare zee geleek, zijn slechts weinige plassen als getuigen
van de jaarlijks temgkeerende ten deele weldadige overstroomingen achter-
gebleven, en de steppenrivier Hortobagy dwaalt zonder eene eigenlijke
bedding, hier en daar in den bodem verdwijnende, door de eentonige
steppe. De ondiepe plassen zijn met riet, rietgras en biezen bedekt en
worden bezocht door schuwe watervogels, die in hunne rast alleen door
roofvogels, meestal groote valken, gestoord worden. De sodarijke bodem
heeft zijn heerlijk lentekleed reeds afgelegd en is mijlenver niet voor land-
bouw geschikt; want op sommige plaatsen is hij te vochtig, op andere
verkruimelt de zomerhitte den grond tot fijn stof, zoodat de fauna dan ook
niet rijk is, en alleen trapganzen, patrijzen en weinig hazen als jachtdieren
voorkomen. De geringe grasgroei biedt den schapen, runderen en paarden
slechts eene schrale weide, en ook deze verdwijnt, als in het heetst van
den zomer de grassprietjes tot den wortel verdorren en in een dor geel
stoppelveld veranderen, tot de herfstregen nieuw groen doet ontspmiten.
De kudden hebben zich naar alle zijden over de vlakte verstrooid en
weiden mstig en op haar gemak. De csikós (tsjikoos) heeft de paarden
naar de verst verwijderde weiden gedreven, en de onmstige, halfwilde
dieren nemen genoegen met zelfs het schraalste voedsel. Inweerwil van
de klokjes, die de oude merries aan den hals dragen, verwijderen zij
zich onophoudelijk van elkander; de karikas, eene verbazend lange zweep
met korten steel moet hen bij elkaar houden. Maar de steken derinsekten
worden steeds ondragelijker; onophoudelijk draaft de csikós rondom de
wild en schuw geworden paarden, en reeds draipt zijn ros van zweet.
Daar houdt hij stil, een scherp fluiten klinkt, en uit de kudde, die haast
niet meer te beteugelen is, springt met opgeheven staart en vliegende manen
zijn lievelingspaard te voorschijn; met één' sprong zit hij op den mg van
het ongezadelde en ongetoomde dier en oogenblikkelijk jaagt hij de weg-
geloopenen na. Als vastgegoten schijnt hij o]) het ros. Zijn hoofd dekt
een lage, ronde hoed, die met eene veder, met kunstbloemen of de zachte
witte pluimen van eene bloeiende grassoort is versierd. Het korte hemd
bedekt ternauwernood de bruine borst; eene ongeloofelijk wijde witte broek,