Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
a)NSTA\TI.I\ IIUYT.KNS.
A li ME R U K DOM.
Ik hoor de luiden, Tijs! uw' grooten rijkdom prijzen
Het mag wel wezen -, maar
Hoe Ivan ik oordeelen, of 't logen is of waar?
Gij derft (*) het niet bewijzen
ERITSEISS PAARD.
Frits noemt zijn paard een luipaard,
Omdat het, luipaards wijs, gemarmerd is van vel.
Mij dunkt hij noemt het wel:
Want zeker 't is een lui paard.
Eene woordspeling met hü paard, in den zin van een traaij vmlzitj
paard, en luipaard, het bekende dier van dien naam.
GOUDSMID.
't Is al goud, wat er blinkt tot mijnent; maar in schijn,
En inderdaad niet al. Leert u hieraan gewennen
Der menschen uiterlijk en innerlijk te kennen :
Daar schijnt er veel door-goud, die maar verguld en zijn.
Velen schijnen, zegt de goudsmid, die in dit Puntdicht sprekend
wordt ingevoerd, geheel van goud, d i. goed en braaf te zijn, die er toch
niets meer van hebben dan de ui ter lij he vertooning. Eene belangrijke en
met eene aardige vergelijking voorgedragene herinnering van het spreek-
woord: schijn bedriegt.
ANDRIES DOBBEL ZIEK.
Hoe komt het, dat Andries zoo deerlijk ziet
Is hij ziek, of gekwetst, wat leed mag hem letten?
Twee kwellingen vallen hem zwaar om verzetten :
Eens anders geluk en zijn eigen verdriet
(') Durft. Een aardig vers, om de schriellieid van sommige rij-
ken snedig door te halen.
(*) Zoo bedroefd ziet. (®) Merk in dit Puntdicht op de onverwaciitc
wending: men meent in het begin over twee ligchamelijke ziekten van
Andries te zullen hooren spreken, en de vernuftige dichter eindigt met
ons op Andries te wijzen als krank van nijd of afgunst.