Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VA\ DKN VONDEL, (»5
Haar Raadhuis een* pilaar. Hoe drukt ons dit verhes!
Doch troost u, rijke stad! men zal u zalig noemen-,
Als Room' FABKicius en cato's deugd wil roemen,
Zeg: hooft, dat was de man, waardoor mijn glorie wies .
OP DEN HEERE GERAARD VOSSICS,
professor der historicn te amsterdam.
Laat zestig winters vrij dat Vossenhoofd Q) hesneeuwen,
Nog grijzer is het hrein, dan 't grijze hair op 't hoofd ^
Dat hrein heeft heugenis van meer dan vijftig eeuwen,
En al haar wetenschap, in hoeken afgesloofd
Sandrart! heschans hem niet met boeken en met blaren
Al wat in boeken steekt is in dat hoofd gevaren (*).
Wanneer Home van ïabriciis en cato, twee edele en deugdzame
Romeinen, zeer i)ekend in de Geschiedenis, gewaagt, roem gij dan op
mven hooft, als den man, door wien gij in aanzien en grootheid zijt toege-
nomen. »Hoe treffend, hoe geheel uit het hart gevloeid is niet dit
»klinkdicht!" zegt van kampen, en inderdaad, gevoelt men dit bij de
eerste lezing; de bewondering zal klimmen, als men dit gedicht in zijne
bijzondere deelen met naauwkeurigheid beschouwt, en op het roerend
begin; op de schildering van de deugden des overledenen, die de
dichter zoo oorspronkelijk (zie inzonderheid den 7den en 8sten regel) ter
sprake brengt; op het groot verlies, dat Amsterdam in hem lijdt, en
eindelijk op den troostgrond, dien de stad bezit, de aandacht vestigt.
Welk een rijkdom, en in zulk een kort bestek! Voor het overige
weet men, dat de Burgemeester hooft de vader was van den dichter
pibtfji corneliszoon hooft, en dat hij zich den lof, dien vondel hem
^toezwaaide, in alle opzigtcn had waardig gemaakt.
(*) Schrander, slim hoofd; woordspeling met den naam vossius. (*) Dc
woordvoeging dezer beider regels is: dat brein, hetwelk zich heeft afge-
sloofd in het doorpluizen van boeken, heeft heugenis, enz. Omgeef hem
niet met boeken en bladeren als met eenen wal. Joachim van sandrart, die
trn tijde van vondel leefde, was een beroemd Kunstschilder. (*) Ver-
gelijk met dit Bijschrift de vCrzen van hooft op bl. 9 en 10, en zie, hoe
twee groote vernuften hetzelfde onderwerp, hoewel op onderscheidene
wijze, met smaak en geest weten te behandelen.