Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
-iS JOOST VAN DEN VONOEL.
Zijn krans groent onverwelkt, en bloeit voor afgunst veilig
Die onlangs was van steen, nu glinstert van metaal-,
En zoo de nijd zich steinet aan 's Heids verdiende praal ,
Wij gieten ligt van goud dien Rotterdamschen Heilig
OP HET OVERLIJDEN VAN CORNELIS PIETERSZOON HOOFT,
raad en oud-bdagemeester van amsterdam.
Trek om 't raadsheerlijk lijk geen droeve torenklok (*),
Het burgerlijk beklag zal deze baar geleijen.
De balling, weeuw en wees beluijen hier met schreijen
Hunn' waard (^),haar' man,haar'voogd, daar't leven uit vertrok
Hang aan den wand van 't koor dien Burgemeestersrok,
Dien tabberd , wijd van baat- en staatzucht- afgescheijen ,
Dien deeglijkheid hem ging zoo onbesproken breijen
Hieraan heeft eigenbaat niet de allerminste vlok.
Dat nu Amstelredam C') in 't rouwkleed valle aan't huilen ;
Haar zegenrijke Beurs ontbeert een harer zuilen,
Zeer zinrijke regels! onder anderen bevat de uitdrukking veel in
zich: hij heldert met den tijd, voor; hoe meer de verdiensten van erasmus
m vervolg van tijd aan het licht zullen treden, hoe meer zijn roem tvassen cn
toenemen en als 't ware blinkender zal worden. Wanneer de nijd de
welverdiende eer niet verdragen kan, die den Letterheld wordt bewezen. Een
vernuftige slotregel van dit klinkdicht, waarin een* van Neérlands
grootste Geleerden eene regtmatige hulde wordt toegebragt.
(*) Zoo wendt zich de dichter met zijne aanspraak tot Amster^ri.
(-) Dichterlijk voor: de klagende of bedroefde burgerij. (5) D. i.r die de
ballingen vriendelijk heeft geherbergd en verzorgd. ("*) Ilct raadsheerlijke staat-
siekleed, hang dat op aan den wand van het koor der kerk, als een
heilig overblijfsel, den eerbied aller goeden en braven waardig. (®) Vreemd
van alle baat- en heerschzucht. Dien hij zich door zijne algemeen er-
kende braapieid verwierf. Vondel gebruikt het woord breiden {breijen), hetwelk
eigenlijk zooveel beteekent als breedmaken, verbreeden, hier in den zin
van vlechten of weven. Dat de degelijkheid, of braafheid, uooft den
staatsierok weeft, is voorts eene van die keurige cn stoute persoonsver-
beeldingen, die bij onzen dichter zoo menigvuldig worden aangetroffen.
(") Zoo werd Amsterdam oudtijds genoemd.