Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
-iS JOOST VAN DEN VONOEL.
Zij zag er een dat, wuft en onLestuurd,
De vreugd' was van de Luurt,
En, vlug te voet, in 't slingertouwtje sprong-,
Of zoet Fiane zong,
En Huppelde in liet reitje
^ Om 't lieve lodder-eitje
Of dreef, gevolgd van eenen wakkren troep,
.Den rinkelenden hoep C')
De straten doorj of schaterde op een schop
Of speelde met de pop
Het voorspel van de dagen.
Die de eerste vreugd' verjagen (^)j
Of onderhiel met Likkel en bonket
De kinderlijke wet
En rolde en greep, op 't springende elpenbeen ,
De beentjes van den steen,
En had dat zoete leven
Om geen en schat gegeven
Maar wat gebeurt? terwijl het zich vermaakt,
Zoo wordt het hart geraakt,
Dat speelziek hart van eenen scherpen flits
Te doodlijk en te bits.
De dood kwam op de lippen,
droefheid der moeders te verheugen; ook plaatst vondkl zeer dichter-
lijk den dood omhoog., ten einde Iiem daardoor een indrukwekkender
voorkomen te geven. {*) T. w. saartje, het dochtertje van den dicli-
ter. Misschien het begin van een liedje, bij de pop gezongen.
(®) Beweegbaar, van plaats veranderend eitje, d. i. het eitje; hetwelk men
in een' kring deed rondgaan, en dat dan een der spelenden moest
trachten te betrappen, of wel: het eitje, rondom hetwelk men danste.
Een hoepel, waaraan ijzeren of koperen plaatjes zijn gehecht. (®) Schop-
tomv, schommel. Eene wijsgeerige aanmerking, die men hier niet
zou verwachten, maar die niemand, welke eenigen smaak bezit, hier
zal wegwenschen. Bonk, been. Gebruik. (*-) Ziehier zeven kin-
der spelen; met eene luchtige, losse hand geschetstj welk eene aan-
doenlijke en hoogst treffende tegenstelling maakt voorts met die vro-
lijke spelen de beschrijving van den dood des kindsI Een scher-
pe pïjL
\