Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VAN DEN VONDEL. iïJ)
Wie is liet noemt, beschrijft ons Hem
Met eene serafijnenveder
Of schort het aan begrip en stem?
Tegenzang,
Dat 's God — Oneindig, eeuwig Wezen
Van alle ding, dat wezen heeft.
Vergeef het ons, o nooit volprezen
Van al wat leeft of niet en leeft,
Nooit uitgesproken, noch te spreken-,
Vergeef het ons, en scheld ons kwijt.
Dat geen verbeelding, tong noch teeken
U melden kan. Gij w^aart. Gij zijt.
Gij blijft dezelfde; alle Englenkennis
En uitspraak, zwak en onbekwaam
Is maar ontheiliging en schennis
Want ieder draagt zijn' eigen naam
Behalve gij. Wie kan u noemen
Bij uwen Naam wie wordt gewijd
Tot uw Orakel (22)? wie durft roemen (^3)?
Gij zijt alleen dan die Gij zijt,
U zelv' bekend en niemand nader.
U zulks te kennen, als Gij waart
Der eeuwigheden glans en ader ;
Wien is dat licht geopenbaard (2"^)?
De vraag, waarmede dit gedicht zoo treffend begint, wordt liier
niet minder treffend herhaald. Engelen-pen. De woorden: Dat
is God, hebben, in verbinding met het voorafgaande, iets plegtigs en ver-
hevens; men late dit niet onopgemerkt, en doe het plegtige en verhe-
vene door een' statigen toon wèl uitkomen, als men dezen Hymnus de-
clameert. Voorts wint dit geheele gedicht veel in fraaiheid en verheven-
heid, doordat het antwoord der Engelen, hetwelk verder wordt vervolgd,
in een Lofgebed tot den Oneindige zeiven wordt ingekleed. Door
(*') Besehrijven. Ongeschikt, onvolmaakt, Te weten, van uw We-
zen en van uwe Majesteit. Een naam, waardoor de natuur of ei-
genschappen zijns AVezens kunnen uitgedrukt worden. (-*) Wie kan U
beschrijven gelijk Gij zijt? Uitlegger uwer onbegrijpelijkheid. Wie
durft zich op zulk eene kennis beroemen? Alzoo, dus. Zoodanig.
('C) Licht en oorsprong. Wien is zoo groot eene mate van kennis gegeven?