Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VAN DEN VONDEL. iïJ)
Hoe llonkren de oevers hier van bdeUion, turkozen,
Karbonklen, onixsteen en flikkrend diamant
De grond is een tapijt van bloemen; geene hand
Van geesten kan zoo rijk borduren en schakeren.
Wat vogels steken hier in kostelijke veéren!
Daar staat de eenhoren, die zich spiegelt in de bron;
Hier volgt de zonnebloem het aanschijn van de zon.
En schijnt in 't harte ontvonkt van levendige stralen.
Wat vogels zingen daar alle Engelsche koralen
Met hunne kelen na! hoe welig hangt dit ooft!
Hoe zwelt deez' muskadel! de ox'anjeboom belooft
Den mond verkwikkend sap; men ziet het vee gedijen
Bij keur van geurig kruid en duizend lekkernijen.
De rug van 't der tel lam, gedost met eene vacht
Van gloénde purperverf, getuigt door zijne dragt
In welk een' beemd het weidt, en draagt livrei en wapen
Van Koning adams Hof, ter heerschappij geschapen.
De boom zweet honigdauw, de beek geeft room en wijn.
De boomschors is kaneel, hier valt de zonneschijn
Gematigd, niet te heet, noch koel: hetzij de stralen
In top staan 't zij het licht verrijze of koom'te dalen.
De Alzegenaar stort hier zich zeiven teffens uit,
En waart in dier en erts en steen en plant en kruid.
Doch meest in adam. Heer van 't edelste geweste;
De Hemel gaf zijn hart aan 't aardrijk hier ten beste
Vergelijk Gen. II : 12, waar, naar de vertaling van sommigen, een
paar dezer edelgesteenten worden opgenoemd. Engelachtige zangen,
(1*) De dichter wil zeggen, dat het lam door zijne schoone en heer-
lijke vacht te kennen geeft, dat het in zulk een' bekoorlijken Hof te
huis behoort en adams eigendom is. Loodregt naar beneden vallen,
t. w. op den middag. Openbaart zich. Het schoonste en edelste,
dat Hij bezat» Aldus eindigt deze echt dichterlijke beschrijving,
waarmede wij zeer hodg loopen. Mogen een paar uitdrukkingen min-
der behagen, b, v. wanneer de dichter zegt: dat hel lam liverei en u'fl-
pen draagt van Koning adams Hof, of, dat de boomschors van kaneel is,
die, onzes bedunkens, van een' verkeerden smaak en van valsch vernuft
niet vrij te pleiten zijn; men zal deze uitdrukkingen wel over het hoofd
willen zien bij al het schoone, dat wij hier aantreffen. Hoe heerlijk
wordt onder anderen het veld gemaald als ffchooner gestikt en door-