Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
-iS JOOST VAN DEN VONOEL.
iiksciirijving van het paradijs.
(Uit liet Treurspel: Adam in Ballingschap.)
Dc Engelen Gabriël en Bafaël zijn van den Hemel gezonden, om den
Leiden Eerstouderen heil te wenschen en derzelver huwelijk in 's Al-
lerhoogsten naam in te zegenen. Bij het naderen van het Paradijs dee-
len zij elkander hunne gevoelens mede over deszelfs schoonheid en
heerlijkheid. — Ilijkdom van dichterlijke denkbeelden in dc bevallig-
ste verscheidenheid en heerschappij over de taal, waarmede de dichter
als met kleuren scliildert, doen ons in deze schoone beschrijving den
grooten vondel kennen.
GABraoL.
Wij zweefden zacht en stil den blanken Melkweg neer.
De morgenzon voorbij, die, schijnende uit het meer
Van 't oosten zuidwaarts aan, met haren gouden wagen
Den middag kroonen ging toenwijdeez springbron zagen
Vier aders leveren aan 't aardsche Paradijs,
Naar 't hemelsche genoemd en daar de bruiloftswijs
Tot vreugd van de eerste trouw, met vrolijke Englentongen,
Voor bruidegom en bruid zal worden opgezongen
Zoo streken wij terstond de vleugels hier ter stee
Gelijk eene arendsvlugt, die wijd van over zee.
Of uit de starren strijkt in top van hooge cedren
En dan zich zelve dekt en schaduwt met haar vedren C').
Wat heeft de Godheid hier een Hemelschdom geplant!
Hier roken wij den geur van 't melk- en honig-land
En blanke leliën en versch ontloken rozen!
(') Het begin is uitstekend fraai en schilderachtig en als eene ge-
paste inleiding te beschouwen op de keurige beschrijving, welke volgt.
Dat de zon den middag kroonen ging, gelijk de dichter zegt, beteekent
hier, dat dezelve op den middag haren hoogsten stand aan den hemel
had bereikt. Zie verder onze 4de aanmerking onder het eerste stukje
van cats, in deze Bloemlezing voorkomende. (-) Vergel. Gen. II : 10.
(5) Dichterlijk , voor stroomen, Bruiloftsgezangen. Zie de inlei-
ding op dit stukje. Zoo staakten wij terstond op deze plaats onze vlugt.
(') Eene schoone en stoute vergelijking, waardoor het statige en def-
tige van het nederdalen der Engelen wordt afgebeeld. Een lusthof,
rijk in hemelsche genoegens.