Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
" 11
DIBK RAl'ELSZ. CAMPllüYSEN.
Dat van God ons is geheeten;
Of veraart en valt tot iet,
Dat ons de Opperheer verbiedt.
Als men 't Popje van zijn lusten
Tot verdriet zijns naasten heeft;
Als men daardoor aanstoot ceeft.
ö >
Of bedroeft en doet ontrusten:
Als m'er niet mee speelt, maar praalt.
En zijns eerzuchts stof uit haalt.
Als m'een* ander' niet mag lijden,
Die er juist geen zoel in vindt
Of die diergelijk bemint,
Gaat belastren of benijden,
En (alsof 't wat sonders waar')
De een den andren valt in 't haar
Als men 't gene, dat op aarde
„K Allerkostlijkst wezen moet
Heel, of zoo veel mee verdoet.
Dat men niet houdt, om naar waarde
Wel en grondig te verstaan,
Hoe men wis tot God zal gaan
.Als m'om lusts verlies gaat kwijnen,
^ Of zoo ernstig is bedroefd
Als om 't geen men noodlijk hoeft
ï (ÏS) Yan aard verbastert, zich tot het kwadeneigt. Men er. Men
een. (-*) Alsof het wat heel bijzonders ware, alsof er heel wat aan gelegen
ware. Deze uitdrukking moge niet vrij te pleiten zijn van platheid;
de ondervinding leert niettemin, dat zij juist is. De dichter bedoelt
met dat kostelijkste: den tijd. Dat men niet zooveel tijd overhoudt,
.y, om, gelijk het geivigt der zaak vereischt. Daartoe moet inzonder-
heid de tijd besteed worden (dat men die vermaning van den vromen
rAMniuYSE:« toch wel ter harte neme!) om nuttige kennis en wetenschap
op tc doen, waardoor men wijs en godvruchtig leert leven. A'oorf-
xakclijk behoeft.