Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
caspar va\ ijaerlk.
35
Zwemt met ongeruste zinnen
In uw klaar en glazig nat,
Laat van droefheid al uw vinnen
Hangen, heel verbleekt en mat:
Ziet, die op het aardrijk zweven.
Vallen in uw watrig rijk.
'k Zie hen loeren op uw leven,
En u dreigen al gelijk. —
Vischje! schuilt in 't kroost of blaadjes,
Wacht den hengel met zijn' haak;
Bergt u in verholen gaatjes,
Gaapt niet met uw grage kaak;
Laat den hengelaar staan wachten,
Laat hem zoeken, waar gij zijt,
Hoort zijn vloeken en zijn klagten,
Als het visschen niet bedijt (•')•,
Bijt nietj maakt hem tot een' misser,
Zuigt het wormpje van den haak,
Geeft maar nop en hoop den visscher,
En verijdelt al zijn zaak —
Al de wereld gaat uit visschen,
De een om eer en de een om geld:
Deez' verkrijgt en die moet missen,
Dus is 't visschen ook gesteld.
Het meervoudig getal staat in geheel dit stukje, zoo als meer bij
onze oudere dichters, voor het enkelvoudig. Wij hebben daarvan
reeds vroeger onderscheidene voorbeelden geliad : zoo staat, op bl. 3:
vertrouwt, voor vertrouw; op bl. 30: past wel^ voor pas welj trekt^
visscher! voor trek, visscher! enz, f<eem u in acht voor den hengel.
Hier in den zin van gelukt, slaagt. (®) Deze raadgevingen , die de
dichter het vischje geeft, als bekommerde hij zich ten hoogste over
deszelfs rust en veiligheid, zijn oorspronkelijk van vinding en aller-
liefst uitgedrukt j vooral verdienen de regels opmerking, waarin hij
zegt, dat het vischje wel beangst mag worden voor zijn leven, wegens
het naderend gevaar: laat van droefheid, enz., en dan verder die regels,
waarin hij het aanbeveelt, om zich toch voor den vervolger te ver-
bergen, of hem te foppen door voorzigtig het wormpje van den haak
te zuigen: Berg u in verholen, enz., bijt niet, maak hem^ onz.
;5