Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
* ,
cASPAiï VA^ lïAiiiïJj-:.
IllJSGiniUT OP 's DICHTERS AFBEELDING, TOEN HM
57 JAAR OUD AVAS.
Als ik dit beeld aanzie en van mijne eerste jaren (*),
Zoo leer ik, dat de tijd verloopt gelijk de baren;
De jeugd is maar een bloem, de mensclie nietig gras (-);
'k was niet dat ik ben, 'k en ben niet dat ik was
CASPAR VAN EAERLE, geboren den Februarij, 1584,
tc Antwerpen, en gestorven den Januarij, 1048, tc Jni~
sterdam; na onderscheidene ambten en hedieiiiiigcn gehad tc
hebben, werd hij in 1631 tot Hoogleeraar in de Wijsbegeerte
en JVelsprekendheid beroepen aan de Doorluchtige School te
Amsterdam, in welke betrekking hij de 17 laatste jaren zijns
levens doorbragt.
OP HET HENGELEN.
Het geestige en natuurlijke van deze diclitregelen valt als van zelve
in het oog. Met hoeveel smaak is het anders zoo eenvoudige onder-
werp behandeld! welk eene naïve bezorgdheid toont de dichter om-
trent het onschuldige vischje, en hoe aardig weet hij uit het vis-
schen nuttige leering af te leiden!
Vischje! dat onz' rust kan breken.
Midden in den naren nacht (*),
Eer de sterren zijn geweken.
Eer de daagraad met ons lacht
(*) HftrtHcer ik dit afbeeldsel aanschouw en het vergelijk met dat, hetwelk
van mij gemaakt is in mijne jeugd. Overgenomen van den Profeet
jesaia, Hoofdbt. XL: 6, 7. AVij besluiten onze Bloemlezing uit cats
Werken met dit Bijschrift, waaruit wij zien, dat onze dichter ook zin-
rijk wezen kon, en het leven steeds van zijne ernstige zijde beschouwde.
(*) Dat ons te midden van den donkeren nacht vit den slaap opwekt.
(-) A'oor: ccr dc dageraad ons tegculacht.