Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
li JACOB CATS.
De vos, die zit en geeuwt, of luijert in den kuil,
Houdt wel de pooten droog, maar krijgt niets in den muil.
Al wat er adem lieeft, behoort het aan te merken,
Dat wat van adam komt bevolen is te werken \
Wie geen beroep en heeft en niet ter wereld doet,
Die heeft geen' vasten troost, waarop hij wordt gevoed
EEN HENGEEAAB (*).
Trekt, als nopt (-), visscher!
Wel, maat! hoe zit gij dus en gaapt,
Mij dunkt voorzeker, dat gij slaapt,
Want ziet de visch bijt aan het aas.
En gij zit als een regte dwaas.
Gij zit gelijk een kwak en ziet,
En dat u raakt en doet gij niet.
Tk bid, en gaapt niet hier en daar.
Maar neemt intijds uw zaken waar :
Een goede kans is glibberglad ,
Zij dient met haasten opgevat.
En 't is voorwaar geen handig man,
Die zijn geluk niet vatten kan
Want dien het voordeel eens ontglijdt,
Die is het al zijn leven kwijt,
En schoon hij namaals anders wou.
Hij vindt niet anders dan berouw.
Al wie dan niet intijds en vischt,
Is waard, dat hij de zode mist.
(') Waarlijk eene goede les, lieve lezers! arbeidzaamheid is toch dc
moeder van het geluk, en armoede is luiheids loon.
(*) Stelt u hier wederom eene plaat voor, waarop een hengelaar on-
nadenkend zit te visschen, terwijl hij door eenen verstandigen grijs-
aard wordt aangesproken. (*) Als de visch toebijt; het werkwoord nop-
pen beteekent eigenlijk de noppen of pluisjes van het laken nemen, ver-
volgens: zachtjês met de tanden aan iets trekken of schaven. (') Beuzelaar,
onnoozele bloed. (*) Zoo glibberglad als een aal; een beeld hier zeer
aardig door den grijsaard bijgebragt, omdat hij tot een' visscher spreekt.